Rapport SCP: Grenzen aan leven lang leren

SCP-mei2019Een leven lang leren staat volop in de belangstelling. Een recent uitgekomen rapport van SCP ‘Grenzen aan Leven Lang Leren’ onderschrijft dat. Maar zie ook de discussie bij de VH? Hier wordt het Leven Lang Ontwikkelen genoemd.
Juist deze tijd is de discussie rondom leven lang leren (LLL) actueler dan ooit omdat er zorgen zijn vanwege de veranderingen op de arbeidsmarkt en dat organisaties/werknemers daar onvoldoende op anticiperen. En natuurlijk een vraag voor HO: anticiperen wij als instellingen daar voldoende op?
Welke competenties hebben (aankomende) professionals nodig door de toenemende robotisering en andere technologische ontwikkelingen.

Het rapport (gericht op werkenden) schetst het beeld dat op het terrein van LLL weinig vooruitgang wordt geboekt. Ondanks alle inspanning om LLL  in Nederland te stimuleren neemt de deelname aan opleidingen, cursussen en trainingen neemt de laatste jaren niet of nauwelijks toe.

Ik heb de conclusies, beschreven per hoofdstuk, gepakt om op een rijtje te zetten. Dit schetst een goed beeld hoe het met LLL staat in Nederland.

Deelname aan leven lang leren

  • Relatief veel Nederlanders nemen aan (post initiële) scholingsactiviteiten deel, maar de deelname aan scholing stagneert
  • Werknemers in loondienst volgen meer scholing, evenals jongere werknemers en hogeropgeleiden
  • Het zijn vooral werkenden die aan scholingsactiviteiten deelnemen. Werkzoekenden nemen relatief minder deel aan scholing dan werkenden. Niet-werkzoekenden volgen gemiddeld het minst opleidingen, cursussen en trainingen.
  • Werkenden volgen vooral scholing om hun huidige functie of hun huidige taken beter uit te kunnen voeren.
  • Bij scholing gaat het relatief weinig om formele opleidingen. Het zijn vooral (kortdurende) cursussen, trainingen en workshops die gevolgd worden. Informeel leren op de werkplek vormt voor werkenden de meest voorkomende manier om kennis en vaardigheden te verwerven.
  • Vooral hoogopgeleiden volgen scholing. Jonge werkenden, werkenden van middelbare leeftijd, en werkenden in de publieke sector.

Redenen om aan scholing deel te nemen

  • De meeste werknemers zijn van mening dat zij voldoende zijn toegerust voor de uitoefening van hun werk, nu en in de nabije toekomst, en hier geen extra scholing voor nodig hebben.
  • Werknemers zien eerder ervaren tekorten als uitgangspunt voor scholing (reparatie) dan scholing als mogelijkheid om zich op een andere baan of taakinhoud voor te bereiden (preparatie).
  • Redenen om aan scholing deel te nemen zijn vooral werk gerelateerd. Werkenden volgen cursussen en trainingen vooral om hun huidige werk beter uit te kunnen voeren.
  • Een vaak genoemde reden om geen scholing te volgen is een gebrek aan tijd, door drukke werkzaamheden of door gezinsverplichtingen. Praktische problemen, zoals de kosten of de plaats van de opleidingen, spelen een minder belangrijke rol.

Omstandigheden die scholingsdeelname beïnvloeden

  • Werkenden die een groot deel van hun tijd met hun werk bezig zijn, houden daarnaast voldoende tijd over om een opleiding, cursus of training te volgen.
  • Werknemers in loondienst die minder dan twee dagen per week werken, nemen het minst aan scholingsactiviteiten deel.
  • Een zorgtaak lijkt over het algemeen geen beletsel te vormen om aan scholing deel te nemen, ongeacht of het gaat om de zorg voor jonge kinderen, mantelzorg of een combinatie van beide.
  • Een langere reistijd tot hun werk is voor werknemers geen reden om minder aan scholing deel te nemen dan voor werknemers die op een kortere reisduur van hun werk wonen.
  • Werknemers die problemen ervaren in hun werk nemen niet vaker aan opleidingen, cursussen of trainingen deel. Dat geldt ook voor het leren op de werkplek.

Typologie burgers en hun scholingsdeelname

  • Volwassenen die niet werken en ook niet op zoek zijn naar werk, nemen het minst aan scholing deel.
  • Voor de niet-werkende volwassenen lijken verschillende omstandigheden een rol te spelen. Deze omstandigheden liggen deels buiten de invloedssfeer van de persoon, zoals een lage opleiding en gezondheidsklachten. Voor een ander deel gaat het ook om bewuste keuzes, zoals vervroegde pensionering of de keuze om thuis blijven om voor de kinderen te zorgen.
  • Vooral jonge hoogopgeleide alleenstaanden en tweeverdieners, en voltijds werkende vaders met jonge kinderen nemen veel aan scholing deel.
  • Van de werkenden ligt de scholingsdeelname laag bij met name oudere werknemers in vaste dienst, middelbaar en hogeropgeleide zelfstandigen en werkzoekenden, werkende moeders met een voltijds werkende partner en parttime werkende vrouwen van middelbare leeftijd.

Belangrijkste belemmeringen voor scholing

  • Voor het zich een leven lang ontwikkelen dient er tijd en geld beschikbaar te zijn, evenals maatwerk in scholingsvoorzieningen.
  • Daarnaast spelen vrijwel steeds ook persoonlijke omstandigheden van mensen een bepalende rol. En dit naast familie- en gezinsomstandigheden;
  • En ook speelt mee een gebrek aan ondersteuning vanuit de werkgever.

Tijd, geld, en diverse omstandigheden zijn belemmeringen. Maar wat mij het meest opviel is de onderliggende redenen dat leven lang leren niet ‘verder komt’ in Nederland:

(*) Geen gevoel van urgentie
De schrijvers van het rapport geven aan dat werkenden geen duidelijk beeld hebben van de veranderingen in hun werk op middellange termijn. Maar ook ten aanzien wat die veranderingen voor hun eigen competenties betekenen. Pas wanneer werkenden concreet uitzicht hebben op ander werk of een overstap maken naar een andere functie of andere baan dan besluiten zij pas om zich verder te scholen. Achter urgentie zit daarmee ook onbekendheid: het niet weten of het niet willen weten.

(*) Leercultuur
De schrijvers (blz 8/159) geven aan dat de leerbereidheid in Nederland achter blijft t.o.v. andere OESO-landen. Ze constateren een ontbreken van een leercultuur. Er is eerder sprake van een re-actieve leerhouding dan van een pro-actieve leerhouding. Mogelijk speelt hierbij mee dat scholing voor een belangrijk deel wordt geïnitieerd door de werkgever en gericht is op bij- en nascholing.

In het verlengde daarvan las ik een opvallende alinea op blz 163 namelijk dat: ‘..het lastig is voor instelling leerwegonafhankelijk onderwijs te stimuleren …en dat studenten niet van hun basisprogramma willen afwijken …en dat het soms lastig is tot persoonlijke leerroutes te komen’’.  Vraagt dit een omdenken in het hoger onderwijs? Richten we flexibiliseren in vanuit een kwalificatie-vraagstuk (het behalen van (nieuwe) competenties gekoppeld aan beroepen) i.p.v. flexibiliseren vanuit een transformatie-vraagstuk (verandervraagstuk; het beroep zelf verandert ). Bij dit laatste zijn andere werkwijzen, perspectieven en kennis nodig. Welke perspectief en werkwijze stimuleert  een pro-actieve leerhouding in hoger onderwijs: daar kunnen we een basis leggen?

Meer bronnen
(*) Hbo deeltijdonderwijs in de lift, flexibiliteit loont
(*) Scienceguide artikelen: Leven Lang Ontwikkelen

ccbysa

Advertenties

Over Ria Jacobi

Als ervaren onderwijskundig ontwerper, -adviseur en projectmanager houd ik mij bezig met het ontwikkelen en verbeteren van onderwijs. Mijn ambitie is goed doordacht onderwijs te realiseren, dat aansluit bij de behoefte van individuen en hun organisaties en daarmee een stimulerend effect heeft.
Dit bericht werd geplaatst in Levenlang Leren, Rapporten, Trends en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s