Ervaringen van studenten met onderwijs en toetsen op afstand tijdens corona’ . Onderzoeksrapport van ISO

’De professors proberen er echt wat van te maken en de groepschat van mede-eerstejaars wordt veel gebruikt, maar online is gewoon echt niks. Ik ben met twee studies begonnen dit studiejaar; maar ik heb bijna geen binding met mijn studiegenoten, kan de mensen van mijn studentenvereniging bijna nooit zien en ik vind de studies gewoon niet leuk zo. Grotendeels daarom ben ik met mijn eerste studie al na een maand gestopt en ga ik binnenkort ook met mijn tweede studie stoppen.’’

Tja, dat slaat er wel in als ik dit lees in een recent uitgekomen onderzoek door ISO geïnitieerd. En zo’n uitspraak is niet helemaal nieuw, lees: Volkskrant, NRC (nov 2020)

Vrijdag 19 februari organiseerde het ISO, nav hun onderzoeksrapport ‘Ervaringen van studenten met onderwijs en toetsen op afstand tijdens corona’ (door ResearchNed uitgevoerd) een webinar.

Bij 60.000 studenten is een vragenlijst uitgezet. Van 11.500 studenten zijn de meningen en ervaringen meegenomen in de uiteindelijk aanbevelingen. Thema’s die het rapport aansnijdt zijn: tevredenheid over online onderwijs, ervaringen online onderwijs, ervaringen online toetsen; mentale gesteldheid.

Bijna alle studenten hebben sinds september 2020  hun onderwijs, voor het merendeel, op afstand gevolgd. Vandaar leek het ISO het een goed idee de webinar rondom de onderzoeksresultaten op een manier te organiseren zoals studenten zelf onderwijs op dit moment ervaren: als ‘zenden’ door de docent, als geen interactie met onderling, als vragen stellen via het handje.

Enkele hoofdlijnen uit de bevindingen van het rapport:
(*) Het gaat niet goed: bijna al het onderwijs wordt online gegeven. Studenten ervaren dat het onderwijs aan kwaliteit verliest. Studenten kampen met sociaal-emotionele problemen door het gebrek aan interactie en contact met docenten en medestudenten. Er is veel eenzaamheid, concentratie- en motivatieproblemen.
(*) Emergency remote teaching wordt negatief ervaren: de constatering is dat veel fysieke onderwijs is verplaatst naar online onderwijs. Daarbij komt naar voren: hoe meer online onderwijs er wordt gegeven, des te meer problemen. Studenten willen graag af van live-hoorcolleges op afstand, online werkcolleges onder begeleiding van een docent en online presentaties/workshops door medestudenten. Proctoring wordt als onprettig en onveilig ervaren!
(*) Het goede behouden na Corona: één op de drie studenten wil de goede elementen van online onderwijs behouden. Deze goede elementen van online onderwijs zijn bijvoorbeeld: online vormen van een-op-een contact met docenten; vooraf opgenomen hoorcolleges (ook van voor Corona. Het meest werd gewaardeerd: de kennisclips: korte instructies vooraf ter instructie en voorbereiding op het college.
(*) Interactie en ontmoeting wordt meeste gemist: er is nog niet veel studievertraging te zien: de studievoortgang heeft nog geen grote schade opgelopen in vergelijking met de situatie vóór corona (n.b. dit beeld werd bevestigd door een aangedragen VU-onderzoek). Corona heeft vooral sociaal-emotionele impact. Studenten willen het liefst graag weer onderwijs op locatie: voor ontmoeting.

Het ISO beschrijft enkele aanbevelingen, zoals:

  • richting ‘Den Haag’: prioriteer de openstelling van het hoger onderwijs;
  • richting het Onderwijs: investeer in het faciliteren van de interactie; geef aandacht aan de mentale welzijn van studenten; besteed aandacht aan alternatieve toetsing en beperk proctoring;
  • richting studenten: laat je horen, richting o.a. docenten door actief feedback te geven; zoek de interactie op.

Daarnaast was ook de oproep (en aanbevelingen) in het rapport en in de webinar: onderwijs maak je samen. Dit lijkt me een oproep aan ons allemaal. Voor nu, maar ook voor na Corona. Wat leren we uit deze tijd, welke elementen willen we behouden. Hoe ontwikkelen goed onderwijs ontwikkelen, met een juiste mix aan onderwijsvormen (f2f en/of online; thuis en/of online) op basis van deze ervaringen.
Een gezamenlijk gesprek dus, die nu al kan worden opgepakt. Want het lijkt me dat we daarmee studentparticipatie, studentbetrokkenheid versterken.

Wellicht startend met de kijk van studenten op wat te behouden aan onderwijsvormen en toetsen, die geschikt zijn om kennis op te doen, na de Coronacrisis:

De eerste overzicht betreft de onderwijsvormen en daarna de toetsvormen:

Ik wil nog eindigen met een quote uit het rapport van een student die een positieve ervaring heeft t.a.v. onderwijs op afstand: ‘Ik ervaar het als een vreemde tijd, maar op studiegebied als zeer positief. Ik kan eindelijk lekker op mijn eigen tempo werken, hoef niet eindeloos naar colleges te luisteren als ik het al begrijp en kan meer zelf mijn planning indelen. Ik vind de werkgroepen erg leuk en er is veel interactie. Ik heb het gevoel dat ik veel leer! ‘’(blz 9)

Al met al een interessant webinar (en dan vonden de vele deelnemers aan de webinar met mij). Goed om de ervaringen van studenten te horen en lezen en de aanbevelingen ter harte te nemen. Wanneer de slides beschikbaar zijn, zal ik die hier nog plaatsen.

Lees ook:
(*) NRC en NOS over het rapport: studenten eenzaam en ongemotiveerd door online onderwijs.; studenten in grote problemen

(*) Emergency Remote teaching en Blended Learning: Lees ook interview op Scienceguide met Nynke Bos.)

Geplaatst in Online Onderwijs, Rapporten | Tags: , | Een reactie plaatsen

Programmatisch toetsen: waarderen van leren

‘Mogelijk maken’ heb ik als mantra boven mijn PC hangen. Maken we als organisatie mogelijk of werpen we alsnog allerlei barrières op en beperken we de verkregen ruimte.
Vorige week sloot ik bij een bijeenkomst aan over Programmatisch Toetsen. Opleidingen die gesprekken voeren over en onderwijs ontwikkelen rondom andere manieren van toetsen (en dus ook een andere invulling geven aan het faciliteren van leren). Het was interessant te horen dat deze opleidingen de ruimte hiervoor nemen en ook krijgen. Soms startend vanuit urgentie, maar ook doordat zij anders zijn gaan kijken naar het leerproces. Hoe dat moet is nog wel een zoektocht, blijkt uit alle verhalen. Want anders toetsen betekent ook loslaten van ‘hoe we het altijd deden’: en dat is spannend. Zoals Cees Vleuten in een filmpje (zie hieronder) aangeeft: programmatisch toetsen is een toetsconcept en geen recept.
In de bijeenkomst werden verschillende kanten belicht: de rol en het handelen van de examencommissie, de rol en het handelen van de docent en ook de student, het inrichten van (digitale) leeromgeving c.q. het portfolio.

Toetsen staan niet centraal maar het beoordelen van leeruitkomsten. Feedback krijgt een centrale rol. Het volgende filmpje (van een student) legt het heel kort uit.
Het betekent dat het ontwikkelen van een feedbackprogramma nodig voor een samenhangend feedbackproces. Onderscheidend in dat feedbackproces zijn: (a) de informele feedbackmomenten (van  bijv. peers) en de geformaliseerde feedbackmomenten (beslismomenten) waarbij studenten zaken laten zien over hoe ze presteren en waar ze staan op een bepaald moment (de datapunten). Er kan pas een beslissing worden genomen als er voldoende datapunten zijn verzameld om een rijk beeld van de student te vormen. Dit vraag om teamwork, dit vraagt om een samenhangend programma.
Elk feedback moment (formeel of informeel) zijn leermomenten en leveren informatie op over de voortgang. Het verzamelen van informatie over studenten gebeurt dan ook op basis van verschillende informatiebronnen (portfolio, feedback van peers of docenten, producten. zelfreflecties e.a.). En dat ook over een langere periode van onderwijs of een leerlijn. Op basis van 1 kleine module is geen rijk beeld samen te stellen van een student.

Screenshot uit presentatie van Cees van der Vleuten bij de HAN (zie bronnen)



Je ziet dat terug in de opgestelde 5 spelregels: bij programmatisch toetsen zijn (zie blz 124 van het boek Toetsrevolutie.

(*) Spelregel 1: geen zak-slaagbeslissing op basis van één datapunt (voor rijk beeld over de student);
(*) Spelregel 2: er is sprake van een mix aan toetsmethoden (voor betrouwbaarheid en validiteit);
(*) Spelregel 3: het aantal benodigde datapunten is proportioneel gerelateerd aan de zwaarte van de beslissing (meer (tussentijdse) beslismomenten bij een cruciale leeruitkomst);
(*) Spelregel 4: er is continu dialoog met de lerende door middel van feedback, om zelfsturing te bevorderen (programmatisch toetsen doet appél op zelfregie: de student kan ook aangeven wanneer hij/zij een geformaliseerd feedbackmoment wilt hebben);
(*) Spelregel 5: het eindoordeel is een menselijk oordeel op basis van voldoende beoordelaarsexpertise (dit betekent o.a. dat meerdere assessoren (=perspectieven) betrekken in de beslissing en ook calibreren).

Al met al is impliceert programmatisch toetsen het leerproces te verbeteren en de studenten te informeren over waar zij staan binnen het leertraject: gedurende het feedbackproces, krijgen voortdurend inzicht in de nog te ontwikkelen competenties. En dit vanuit een holistisch uitgangspunt: alle informatie telt mee voor een rijk beeld. Omdat het leren centraal staat biedt programmatisch toetsen de kans dat studenten zelf aan het roer staan. Niet alleen de docent bepaalt de beslismomenten maar de student kan ook meebeslissen over de volgende stappen in hun eigen leerproces.

Bij mij ontstaat het beeld dat met het toetsconcept programmatisch toetsen het waarderen van leren centraal komt te staan: in de betekenis van ruimte bieden in het leerproces (een langere tijdsspanne is nodig voor verdieping); in de betekenis van geïnformeerd handelen (het waarderen van de verzamelde informatie); en in de betekenis van ont-moeting (geen aftoetsen (eenzijdige beoordeling) maar waarderen door interactie (een rijk gesprek).

Veel meer is te lezen over programmatisch toetsen
(*) Spelregels programmatisch toetsen
(*) Presentatie Liesbeth Baartman
(*) Allerlei bronnen op de score-site (HvA)
(*) Tips bij programmatisch toetsen
(*)  Het Boek Programmatisch Toetsen: Baartman, L., Van Schilt-Mol, T. & Van der Vleuten, Cees. (2020) Programmatisch toetsen: voorbeelden en ervaringen uit de praktijk. Amsterdam: Boom. (helaas niet digitaal)(cover zie plaatje boven)
(*) Cees van der Vleuten op Platform Leren van Toetsen

Geplaatst in Online toetsen, seminar | Tags: , | Een reactie plaatsen

Opleiden in een veranderende arbeidsmarkt (deelthema NRO symposium)

Vrijdag 15 januari heb ik met nog vele andere belangstellende het NRO-Symposium gevolgd (zie link: voor alle essays) met de titel: Hoger Onderwijs : nieuwe richtingen na de pandemie.

Tijden dit symposium kwamen 6 thema’s aan bod. Ter voorbereiding waren essays geschreven. Onder andere heb ik het thema ‘Hoe opleiden voor een veranderende arbeidsmarkt’ gevolgd.

De kern van het gesprek rondom dit thema, n.a.v. de essays, waren wat mij betreft drie aspecten: (*) opnieuw framen van de relatie opleiding-werkveld/praktijk; (*) en hierbij ruimte creëren voor de ambities, ontwikkelen en leren voor alle actoren (student, docent en opdrachtgever) wat betekent o.a. (*) gezamenlijk ontwerpen en werken aan vraagstukken, alle actoren (docent-student-werkveld) zitten aan tafel.

Want, stelt Lia Fluit, de huidige arbeidsmarkt vraagt om het ontwikkelen (en dus opleiden) van adaptieve expertise: een combinatie van verschillende vaardigheden, te weten domeinspecifieke vaardigheden, metacognitieve vaardigheden en innovatieve vaardigheden (blz 1 essay). Deze vaardigheden zijn een leven lang nodig.

Ik zag dat terug in gesprek rondom essay authentieke vraagstukken van Tjark Huizinga (Hogeschool Saxion). Zijn boodschap was:

  • Zorg voor authentieke vraagtukken waarbinnen technologie ondersteund werken verweven zit;
  • Ontwerp authentieke leeromgevingen waar studenten, werknemers en/of onderwijzend personeel gezamenlijk aan een vraagstuk werken;
  • Zorg dat er ruimte blijft om nieuwe kennis, vaardigheden, en inzichten  te verwerken (vgl. sandboxing)

Ik zag dat in gesprek rondom essay over afstuderen van Lisette Munneke (Hogeschool Utrecht) waar het op een gegeven moment ging over de verschuiving in opleiden als de arbeidsmarkt verandert. Hier werd aangegeven:

  • Inhoudelijke verschuiving: wat zijn bijvoorbeeld skills die in de huidige tijd worden gevraagd (zie bijv het Digital Competence Framework 2.0)
  • De verschuiving in de wijze waarop een opdracht tot stand komt. In plaats van een opdracht op te stellen (inhoud/vorm) voor de student wordt de opdracht gezamenlijk ontwikkeld en onderzocht: student, docent, werkorganisatie. Alle actoren zitten aan tafel, het opstellen en oplossen van een vraagstuk is dan ook een gedeelde verantwoordelijkheid: iedereen leert mee en heeft toegevoegde waarde. Deze verschuiving impliceert dat studenten een andere benadering vragen: niet zozeer als student maar als beginnende collega.
  • De verschuiving naar een (meer) open curriculum. Open in de betekenis van dat het curriculum naast een robuust deel (terugkerende modules of onderwerpen) ook een variabel deel bevat dat continue verandert en aansluit bij actuele ontwikkelingen (maatschappelijk en vakinhoudelijk). En diverse actoren hebben invloed op of dragen bij aan dat variabele deel: ook de student.

Dit vraagt een andere mindset van docenten, studenten en werkveld. Het expliciteren en bewust worden van elkaars (bestaande) beelden, overtuigingen, rollen is belangrijk. Bijvoorbeeld werd door iemand aangegeven: benader de student als changemaker: hij/zij is het al in plaats van dat we hen ervoor opleiden. Voor studenten betekent die benadering dat ze opeens mee (gaan / kunnen) beslissen en keuzes (gaan / kunnen) maken. Dit is een enorme leerervaring maar kan ook stress oproepen. En docenten die daarbij in een oude rol kunnen schieten. Het gesprek hierover voeren, reflecteren op het handelen en de impact, is essentieel.

Zie ook (websites die genoemd werden):
(*) Website met tools voor studenten om beter om te gaan met stress: productief omgaan met stress van Stijl Bollinger.
(*) Verslag en clips en andere informatie komt te staan op: onderwijskennis.nl
(*) En zie ook verslag op Scienceguide: ‘Plezier en verbondenheid zijn ook in blended learning nodig’ en ‘Geforceerd veranderen door de pandemie kan een geluk bij een ongeluk zijn‘.
(*) En verslag van NRO zelf: Magazine Nieuwe Richtingen na de Pandemie.
(*) Essays: https://www.nro.nl/bijeenkomsten/nro-symposium-hoger-onderwijs-nieuwe-richtingen-na-de-pandemie

Geplaatst in arbeidsmarkt, conferentie | Tags: , | Een reactie plaatsen

HBO in 2030: een schets vanuit Hogeschool Rotterdam

Bron: Hoger Beroepsonderwijs in 2030, blz 713

’Want het maken van de toekomst is, zoals Margaret Heffernan in haar boek Uncharted stelt, een collectieve activiteit’’ (blz 12; Hoger Beroepsonderwijs in 2030). Een mooie gedachte zo aan het begin van 2021, in Corona tijd. Hoe geven we vorm aan ons toekomstig hoger beroepsonderwijs? En hoe maken we daar zelf een collectieve activiteit van, zoals dit initiatief vanuit de Hogeschool Rotterdam (HRO).

In de bundel ‘Hoger Beroepsonderwijs in 2030; toekomstverkenningen en scenario’s vanuit HRO) geschreven door o.a. lectoren van de Hogeschool Rotterdam, worden inhoudelijke thema’s uitgediept die actueel zijn en schetsen gegeven voor de toekomst. Op basis daarvan zijn vier scenario’s beschreven, hst 27.

Voorafgaand aan de vier scenario’s schetsen drie schrijvers zes toekomstthema’s (blz 707-710). Ik benoem die kort omdat het interessante startpunten zijn voor exploratie.

1. De transformatie van het werk.
De schrijvers geven aan dat automatisering, digitalisering en datagedrevenheid en de ontwikkeling en adoptie van kunstmatige in belangrijke mate drivers zijn die het werk van de toekomst gaan bepalen. Daarbij is de mate van ontwikkeling rondom kunstmatige intelligentie (AI) nog onzeker: zal het wel/niet disruptief zijn?

2. De transformatie van het leerproces.
Gezien de trends zal naast het werkproces ook het leerproces veranderen. Een rol spelen: (*) de ontwikkeling van digitale leertechnologie; (*) de toenemende complexiteit van de beroepspraktijk om leertrajecten waarin het doel, de aanpak en de samenwerkingsverbanden in gezamenlijkheid worden bepaald. De schrijvers geven aan: ‘’dit maakt het onzeker of het leerproces in de toekomst (a) in hoge mate is gedigitaliseerd of (b) juist meer in gezamenlijkheid, in de beroepscontext en samen met veel verschillende actoren plaatsvindt.’’(blz 708).

3. De transformatie van het onderwijsmodel.
Hoe is het onderwijs in 2030 georganiseerd? Landelijke thema’s zijn (lees ook ambities van OCW): (*) flexibilisering, het toenemende belang van op-, (*) om- of bijscholing in de beroepspraktijk en (*) de opkomst van nieuwe spelers zijn hierop van grote invloed.
De schrijvers stellen dat daardoor het HO in 2030 veel meer de vorm aanneemt van een platform. Bijvoorbeeld voor het faciliteren van persoonlijke leerpaden door alle kolommen heen. Maar het kan ook zo zijn dat de ontwikkelingen niet zo snel gaan en dan verdere flexibilisering zich tot het post-initiële onderwijs beperkt.

4. Financiering van het onderwijs.
In enkele essays komt naar voren dat de publieke financiering van het hoger onderwijs bepalend is voor de inrichting van het onderwijs. Dit zal niet zomaar veranderen. Enkele ontwikkelingen kunnen invloed hebben: (*) de verdere ontwikkelingen in hogeronderwijsbeleid op het niveau van doelstellingen en bekostiging; (*) veranderingen in het aantal studenten; (*) bredere economische ontwikkelingen; (*) de opkomst van alternatieve aanbieders van hoger onderwijs.
De schrijvers geven aan dat: ‘’De onzekerheden rondom de ontwikkelingen op dit gebied zouden tot de uitkomst kunnen leiden dat (a) het hoger onderwijs niet alleen publiek gefinancierd wordt, maar ook meer middelen krijgt of (b) dat de publieke financiering van het hoger onderwijs significant wordt gekort en de financiering in grotere mate aan de markt wordt overgelaten.’’ (blz 709).

5. Doel en functie van het onderwijs.
Discussies over doel en functie van het onderwijs zijn er altijd geweest. De invulling ervan wordt beïnvloed door ontwikkelingen zoals: (*) het landelijke hogeronderwijsbeleid; (*) de culturele waarden, politieke ideologie; (*) de verwachtingen van studenten en de samenleving. In de essays komt naar voren dat de beroepskwalificatie een dominante doel van het hoger beroepsonderwijs is: kennis en vaardigheden up-to-date houden en aansluiten op de veranderende arbeidsmarkt. Tegelijkertijd vragen enkele lector zich af of het doel en de functie van het onderwijs breder moeten worden gezien (ook nav Biesta). Dus dat we binnen HO ruimte moeten bieden door socialisatie en subjectificatie.

6.Maatschappelijke opgaven en transities.
In diverse essays komen verschillende transities aan de orde de transitie naar: (*) een duurzame economie; (*) een duurzaam energiesysteem; (*) een slimme infrastructuur en weerbare steden; (*) de digitale ecologie; (*) een inclusievere samenleving; (*) een houdbaar(der) zorgsysteem. De schrijvers pleiten voor een grotere focus op en bijdrage aan deze transities in en vanuit het hoger beroepsonderwijs. Waar de onzekerheid zit, geven de schrijvers aan zijn factoren als: (*) de complexiteit van elk van deze opgaven; (*) de wederzijdse afhankelijkheden; (*) de gevestigde belangen in het werkveld. Dit vraagt dat een keuze of we deze transities gezamenlijk en gecoördineerde op- en aanpakken (met bijbehorende investeringen) of deze transities aan de markt (individuele spelers, bedrijven, e.a.) overlaten.

Vanuit de essays, die de basis vormen voor de zes toekomstthema’s, volgen hieronder de vier scenario’s met beschreven startposities: sleutelonzekerheden, bepalende ontwikkelingen, en implicaties voor hogescholen.


SCENARIO 1: HOGER ONDERWIJS ALS KWALIFICATIEPLATFORM (blz 719)
De ontwikkeling van onderwijsmaterialen, begeleiding en het afnemen van toetsen worden vaak door verschillende partijen verzorgd, studenten kiezen persoonlijke leerroutes.

SCENARIO 2: HOGERONDERWIJSINSTELLINGEN ALS TRANSITIELEIDERS (blz 733)
Hogeronderwijsinstellingen vervullen veel meer een leidende rol in de verschillende transities (naar duurzame en circulaire economie, de ontwikkeling van slimme infrastructuren end e opbouw van inclusieve en houdbare sociale voorzieningen en gezondsheidszorg).



SCENARIO 3: ONDERWIJS À LA CARTE (blz 745)
Kleinschalig onderwijs met hoogwaardig aanbod, sterk gevoed door digitale toepassingen, persoonlijke begeleiding en sturing vanuit docenten.

SCENARIO 4: VERRIJKING VAN HET SCHOOLBEGRIP (blz 757)
Het onderwijs vindt voor een belangrijk deel op fysieke locaties plaats met mensen voor de klas en werkgroepjes die samen aan vraagstukken werken. Onderwijs vervult vooral een sociale en culturele functie.


Volgens mij gaat het uiteindelijke niet om de vraag of scenario’s waar zijn of welke waarheid kunnen worden. Het zijn wel vier (toekomst)beelden die een mooie input geven om binnen de eigen instelling door te spreken en als startpunt te nemen voor een collectieve activiteit. Welke scenario’s zijn er nog meer te maken obv deze essays? Om zo samen vorm te geven aan de toekomst van HBO vanuit de eigen instelling: studenten, docenten, ondersteuning, staf.

Lees ook:
Scienceguide-artikel: Bestaan er in 2030 nog wel hogescholen?

Geplaatst in Trends | Tags: | Een reactie plaatsen

SURF Onderwijsdagen 2020 in 3*3

Fijn dat de SURF-Onderwijsdag doorgingen op 7 en 8 december jl.. Altijd een moment om inspiratie op te doen. Alhoewel ik de interactie met HO-collega’s wel erg miste.
Mijn 3*3 opvallende rode draden met accenten die ik wil onthouden.

De eerste drie: genoemde trends door bestuurders en projectleiders.

1. Flexibilisering in het onderwijs.
Deze flexibilisering is natuurlijk al volop gaande en wordt steeds concreter. Zie de ontwikkelingen van edubadges, microcredentialing.
Overigens gaf iemand aan: het gaat om het persoonlijker, en niet individueler, maken van onderwijs: als student regie hebben over je eigen leerproces c.q. leerroute. En gedurende die route leer je met en van elkaar. Zie de 4 studentroutes vanuit de Zone Flexibilisering, en de impact daarvan (te downloaden).

2. Inzetten van diverse leermaterialen.
Hierbij gaat het om het gebruik van digitale (open) leermaterialen: docent- of studentmaterialen ( open te delen en hergebruiken) en materialen van uitgevers. Doordat we nu veel meer online onderwijs organiseren neemt de inzet van diverse digitale leermaterialen toe.
In de opening benadrukte de minister van OC&W het delen en hergebruiken van leermaterialen te blijven doen en zelfs te versterken. Lees het visiedocument van de VP-zone Digitaal (open) leermaterialen. En, kijk hier: hoe te starten met open leermaterialen. En… begin 2021 is er een landelijk platform voor alle digitale leermaterialen: edusources (met infographic)

3. Inzetten studiedata
Het benutten van studiedata biedt veel kansen voor verbeteren van de kwaliteit van onderwijs. De ontwikkelingen rondom studiedata gaan snel: zowel de techniek zelf als de bewustwording van de impact. Het accent in de gesprekken lag op over de inzet van data voor het begeleiden van het leerproces van studenten: de docent die de data gebruikt als extra informatiebron om studenten te begeleiden; de student die de data gebruikt om inzicht te krijgen in eigen studievoortgang. Dit vraagt zowel van docent als student bepaalde datageletterdheid (zie verder).

Tijdens de OWD heb ik me gefocussed op deze laatste trend. Hier de drie belangrijke aspecten rondom studiedata die ik heb meegenomen.


De tweede drie: mee te nemen aspecten rondom studiedata.

1. Belangrijke voorwaarden bij studiedata: vertrouwen en datageletterdheid
Het verantwoord benutten is erg belangrijk bij de inzet van studiedata. Ten slotte gaat het om gegevens van studenten. Studenten moeten het idee krijgen dat hun data veilig is en niet wordt misbruikt. Maar ook docenten: zij moeten ook weten wat data is, wat je ermee kunt doen en hoe te benutten in onderwijs. Het gaat dus om de vragen: waarvoor verzamel je data, verzamelen we data veilig, transparantie rondom benutting data. Daarom zijn er codes in ontwikkeling.
Als vervolg daarop werd veelvuldig aangegeven studenten mee te nemen in het gesprek over de inzet van studiedata in het onderwijs. Kennis hebben van en beeldvorming over de benutting van studiedata is belangrijk: datageletterdheid dus. Waar hebben we het over?  Wat wordt geanalyseerd en hoe?  Er valt nog veel te leren: als instelling, als opleiding, als docent en als student: hoe moeten we ons er toe verhouden en hoe te handelen.

2. Ethische vraagstukken bij studiedata
In de sessies werden de ethische vraagstukken rondom inzet van studiedata benadrukt. Van wie is  de data als we ‘eigen systemen’ gebruiken; weet de student welke data we (als instelling) van hem/haar verzamelen en analyseren? Maar ook als we applicaties van EdTech gebruiken. Padlet, Miro worden bijv. veelvuldig ingezet: van wie is dan de data. Met een gesprek over ethiek bij inzet van technologie heb je het meteen ook over welke keuzes belangrijk zijn met daar de achterliggende gehanteerde bij (publieke) waarden. Waarden als gebruikersgemak, efficiëntie of ook transparantie, veiligheid en privacy. Soms kunnen deze waarden op gespannen voet met elkaar staan. En, werd aangegeven in de sessies, neem ethiek meteen vanaf het begin mee in de toepassing van studiedata in onderwijs (he ontwerpen) of aanschaf van een applicatie of DLWO.
Tip: beluister het interview met Miriam Rasch over data en ethiek in het onderwijs.
Tip: in de vlootshow een filmpje over de ethiekkompas.

3. Studiedata en AI: ga het gesprek aan binnen je instelling
In de sessies kwam een aantal keren naar voren dat studiedata&dataficering en daarbij ook Artificial Intelligence (AI) onderwerpen zijn die als ‘lastig’ worden ervaren. Advies is: adresseer deze onderwerpen, ga in gesprek, werk samen en multidisciplinair rondom dit onderwerp, betrek studenten bij het gesprek. Dit niet alleen voor de beeldvorming (wat en hoe data inzetten), er is winst te behalen door de inzet van studiedata. Daarbij drie perspectieven: (a) terug te kijken (bestaande data); (b) nu (gegevens van hier en nu); (c) vooruitkijken en dus voorspellingen doen (machine learning; inzet algoritmes). Vooral a en b, daar kunnen we nog veel meer mee doen. VP-zone studiedata heeft een quickscan gemaakt voor instellingen om te kunnen inschatten in hoeverre je je studiedata benut: quickscan. Een mooi startpunt voor een gesprek.

Bij het slot van de onderwijsdagen hoorde nog ‘een afrondend drietal’. Deels ter bevestiging van de trends. Ron Augustus (SURF) geeft aan waar we ons op moeten voorbereiden. Die beschrijf ik ook maar in deze blog.


De derde drie: de drie van Ron Augustus (SURF)

1. De manier van kennisoverdrachtverschuift
Kennisoverdracht zal, naast de vormen die we kennen, ook via de inzet van extended reality gaan of avatars. En nee, een avatar zal de docent niet vervangen, eerder faciliteren.

2. De manier van toetsen verschuift

Toetsen zal slimmer gaan door de inzet technologie. Het gaat dan niet alleen de verschuiving van summatief naar formatief handelen. Ook gaat het over sneller&slimmer kunnen nakijken van tentamens, delen van vragen, voortgang studenten inzichtelijk maken.

3. De benutting van de leeromgeving verschuift
De leeromgeving is niet alleen de plaats waar je als docent en student materialen neerzet. In de leeromgeving zit zelf al veel informatie die gaan we veel meer (kunnen en gaan) benutten. Het gaat dan over data en leermaterialen om te delen en hergebruiken.


Extra bronnen om nog na te lezen en te bekijken
(*) Vlootshow met alle filmpjes getoond tijdens (sommige) sessies van de OWD20
(*) Publieke waarden was een kleine rode draad tijdens de OWD20. Christien Bok verwees naar het waardenkader.
(*) Teams in the Classroom: een voorbeeld van data en AI in onderwijs.
(*) Genoemd artikel over digital ethics van John O’ Brien.
(*) Impressie studiedata OWD20
(*) Terugblik op de website van SURF zelf: OWD20

Geplaatst in conferentie | Tags: | Een reactie plaatsen

Vanuit het Versnellingplan het onderzoeksrapport: Leermaterialen kiezen

Net uitgekomen (21 oktober jl..)en interessant: het onderzoeksrapport Leermaterialen Kiezen. Een rapport vanuit de zone ‘Digitale (Open) Leermaterialen’ (Versnellingsplan) opgesteld. Het onderzoek heeft tot doel inzicht te geven in overwegingen die docenten en studenten hanteren bij het samenstellen van een (digitale) leermaterialenmix en in de belemmeringen die zij daarbij ervaren. De centrale vraag in het onderzoek is dan ook: Hoe komen docenten en studenten in het publiek bekostigde hoger onderwijs in Nederland tot hun keuze van een mix van leermaterialen?

Wat wordt onder leermaterialen verstaan? De schrijvers geven aan dat er wel aanzetten zijn tot een definitie maar de zoektocht nog gaande zijn (blz 12). Voor het onderzoek laten ze de docenten en studenten zelf definiëren wat zij onder leermaterialen verstaan. Het gaat om de mix van leermaterialen die van betekenis is voor leren en onderwijs. Het perspectief van docenten en studenten is leidend. Het gaat veelal om: kennis- en informatiebronnen, opdrachten, cursussen, digitale tools, toetsen, software en hardware. En overwegend digitaal, soms boeken en geprinte artikelen. Uit de literatuurstudie blijkt, verwijzend naar (De Los Arcos, 2015)(*) (blz 13) dat ‘docenten (n=1473) vooral video’s (65 procent), plaatjes (59 procent) en open studieboeken (53 procent) gebruiken’.
Aan het onderzoek deden mee: : Vijf universiteiten en drie hogescholen hebben geparticipeerd in het onderzoek.; interviews met acht docenten en veertien studenten. Daarnaast is een literatuurstudie gemaakt.

In deze blog de bevindingen in hoofdlijn (bij de centrale subvragen). In hoofdstuk 7 van het rapport staan de conclusies uitgebreider.

Vraag: Hoe gaan docenten en studenten te werk bij het samenstellen van een mix van (digitale) leermaterialen?

(*) Alle docenten geven aan: zelf (laten) ontwikkelen van leermaterialen (soms in samenspraak met studenten) + beschikbaar stellen/ontsluiten van bestaande leermaterialen.
(*) Beperkt aantal docenten laat studenten leermaterialen opzoeken, ontwikkelen, elkaar op leermaterialen attenderen.
(*) De meeste studenten raadplegen al het materiaal dat de docent aandraagt en zoeken voor open opdrachten zelf naar leermateriaal. En ze geven docenten feedback op de door de docent ontwikkelde leermaterialen.

Vraag: Welke overwegingen hanteren docenten en studenten bij het samenstellen van een mix van (digitale) leermaterialen?

(*) Belangrijkste criteria voor samenstellen van een mix zijn: geschiktheid van het leermateriaal voor het vak of leerdoel, de meerwaarde voor het leerproces en de kwaliteit van het leermateriaal. Daarnaast ook: metadatering (o.a. beschrijving leerdoelen en content), vindbaarheid, interactiviteit, flexibiliteit, aanpasbaarheid, kosten, downloadbaarheid en eigen ervaringen of ervaringen van anderen met het materiaal en eigen (pedagogische) opvattingen
(*) Belangrijkste criteria voor studenten: het leermateriaal hun leerproces ondersteunt, passend bij leerdoelen, en eigenschappen zoals toegankelijkheid, betrouwbaarheid, leesbaarheid, begrijpelijkheid en actualiteit.

Vraag: Welke belemmeringen ervaren docenten en studenten bij het maken van een voor hen optimale keuze van (digitale) leermaterialen?

(*) Opvallende belemmeringen zijn o.a.: de toegankelijkheid van het leermateriaal wordt soms beperkt door te hoge kosten voor leermateriaal (universiteit betaalt niet of leermaterialen te gefragmenteerd te vinden; tijd voor updaten van materiaal; angst voor OER.
(*) Studenten ervaren minder belemmeringen : toegankelijkheid en zichtbaarheid leermaterialen. En, zoeken en vinden van leermaterialen wordt bemoeilijkt door eigen kennis en vaardigheden (digitale vaardigheid, expertise binnen het vakgebied, beheersing van vreemde talen).

Vraag: Hoe speelt de context volgens docenten en studenten mee bij het maken van keuzes voor (digitale) leermaterialen?

(*) De belangrijkste factoren zijn: visie (voor richting); faciliteiten (om materialen toegankelijk te maken); tijd en geld, ondersteuning en landelijke voorzieningen.

Vraag: Welke wensen hebben docenten en studenten om te kunnen komen tot een optimale mix van leermaterialen?

(*) Macrowensen: landelijke voorzieningen, zoals een repository voor leermaterialen, goede metadatering van leermaterialen en een landelijke online omgeving waarin docenten van verschillende instellingen kunnen samenwerken en kennis kunnen delen.
(*) Instellingswensen: een richtinggevende visie, tijd en geld, faciliteiten, ondersteuning en flexibele onderwijsruimtes.
(*) Studenten willen goed toegankelijk, vindbaar en begrijpelijk leermateriaal. En: een ELO waarin informatie makkelijk te vinden is en werkplaatsen om experimenten te kunnen uitvoeren.

Gezien: (*) de oproep van het ministerie OCW naar Open Access Hoger Onderwijs: dat in 2025 alle docenten aan Nederlandse HO-instellingen hun onderwijsmateriaal open beschikbaar stellen, zodat zij gebruik kunnen maken van elkaars digitale leermaterialen; (*) het optimaal benutten van de digitale mogelijkheden voor flexibiliseren van onderwijs; (*) gepersonaliseerd leren mogelijk maken; (*) de mobiliteit van studenten bevorderen… lijkt mij dit rapport een mooie aanwinst.
En, gezien de huidige Coronatijd is het samen werken aan een leeromgeving die zich kenmerkt door: duurzame toegankelijkheid (makkelijk te zoeken en vinden); gebruikersvriendelijkheid (gemak, genot, gewin rondom beschikbaarheid en deelbaarheid leermaterialen) om daardoor (door)ontwikkeling van digitale (open) leermateriaal, door docent en student, te stimuleren.

Het aantal respondenten die mee hebben gedaan viel wat tegen. Toch krijg je inzicht in hoe docenten en studenten hun leermaterialen kiezen en wat kan worden verbeterd, versterkt. En als ik zo lees is de docent nog het meest de ‘producer’ en de student nog weinig ‘prosumer’ rondom het mixen. Voldoende aanleiding tot een gesprek hierover, lijkt me. En daarmee ook over het versterken van de koers tot beter benutten van digitale (open) leermaterialen voor het faciliteren van (actief) leren van studenten.

(*) Verwijzing literatuur: Arcos, B. de los, Farrow, R., Pitt, R., Perryman, L., & Weller, M. (2015). OER Research Hub Data 2013-2015: Educators. OER Research Hub. 
(*) n.b.: foto gemaakt door Ria Jacobi

Geplaatst in Open Course Ware, Open Online Onderwijs, Rapporten | Tags: , | Een reactie plaatsen

Stappen rondom digitaal (open) delen voor kennisbenutting

Open krijgt steeds meer aandacht en wordt steeds meer een grotere beweging. Dat dacht ik toen ik de NRC las van begin oktober met een column van Eveline Crone met als afsluiting:
Open onderwijs als logische stap na open data; digitaal delen als optimale kennisbenutting. Als docenten dit nu met elkaar kunnen organiseren dan spaart het tijd en houden docenten en studenten meer tijd over voor datgene waar zij wel energie van krijgen’.

Dat dacht ik ook toen ik vrijdag 9 oktober jl. bij een presentatie was, met veel belangstellenden, van de werkgroep ‘Infrastructuur en Content’ gerelateerd aan de Versnellingsplan-Zone ‘Naar Digitale (open) Leermaterialen’. Er zijn inmiddels zoveel initiatieven en communities (Versnellingsplan Zone Digitale (Open) Leermaterialen, Stimuleringsregeling Open en Online, SIG Open Education (waar ik lid van ben), Werkgroep Bibliotheek, SURFprogramma). Ik word daar wel blij van.

De presentatie ging o.a. over de bevindingen uit het onderzoek naar de behoefte van vakcommunities als zij willen werken met digitale open leermiddelen. Binnen zo’n de vakcommunity worden het meest (eigen ontwikkeld) materiaal gedeeld, iets minder hergebruikt of samen ontwikkelen. En dat is eigenlijk ook logisch. Dat wordt al heel lang gedaan: het onderling uitwisselen van (vakspecifieke)leermaterialen (omdat je samenwerkt in een project of elkaar ontmoet op een congrese.a.). Vooral dat met elkaar kent vanuit een vakgebied maakt de drempel lager om leermaterialen te delen. En: je hebt opeens veel meer materialen voor handen en kun je de materialen beter maken.
Door een infrastructuur te bieden wordt opeens dit materiaal zoek- en vindbaar. En via ondersteuning verlaag je de drempel om te delen. SURF is zodoende al lang bezig met het verder ontwikkelen van (sharekit): een landelijke repository; gekoppeld (in ontwikkeling) aan een zoekportaal.
De presentatie is via deze link te vinden: Preview Onderzoek User Requirements.

Niet besproken, wel genoemd, is het project voor het stimuleren van Open Tekstboeken. Een recente interview met Michiel de Jonge (TUD) over dit project in het Versnellingsplan Zone ‘Naar Digitale (open) Leermaterialen’. Bij de VU en TUD zijn mooie voorbeelden van Open Tekstboeken. Docenten ontdekken dat eigen ontwikkeld kennis en/of (les/leer)materiaal via een commerciële aanbieder weer ‘teruggekocht’ moet worden: zij zijn namelijk de copyrighthouder. Bovendien komt er steeds meer een bewustwording voor het open delen en de inzet van creative commons licenties omdat op dit moment boetes moeten worden betaald voor oneigenlijk gebruik van plaatjes. Delen en hergebruiken van open leermaterialen kan deze bestaande praktijk doorbreken.

Michiel de Jonge beschrijft drie overwegingen voor de adoptie van Open Tekstboeken:
(1) Mogelijkheid tot Bewerken: omdat de tekstboeken ‘open’ zijn, aangegeven door een cc licentie, kun je de teksten aanpassen, mixen etc.
(2) De Beschikbaarheid: de open tekstboeken zijn digitaal dus direct toegankelijk voor iedereen (studenten en collega’s e.a.).
(3) De Erkenning en Waardering: de kans om, als docent, je visie en kennis, via een tekstboek, te publiceren.
Zie ook een al eerder uitgegeven publicatie over Open Textbooks (in 2016). Het lijkt me dat deze drie overwegingen ook gelden voor losse digitale (open) leermaterialen.

Of het tijd bespaart dat weet ik niet: het digitaal delen als optimale kennisbenutting. Het kunnen delen en het willen delen kost tijd, is mijn ervaring. Wel zie ik dat je met het delen van (open) leermaterialen je de kennisdeling versterkt, duurzaamheid van (leer)materialen stimuleert en de toegankelijkheid van leermaterialen versterkt. En het samen werken aan het ontwikkelen van materialen heb ik altijd als motiverend ervaren. Daar krijg krijg ik idd energie van.

Oproep
(*) Doe mee aan de stimuleringsregeling open en online onderwijs (deadline voor projectidee indienen 15 december 2020). Samen met je collega docenten uit je community experimenteren met hergebruik van leermaterialen en het opbouwen van een collectie open leermaterialen?
(*) Hou in de gaten: de Werkgroep Bibliotheken Open Online Onderwijs organiseert binnenkort workshop(s) voor het maken van open tekstboeken, platforms en de rol vd bibliotheek (winter 2020/21).

Bronnen
(*) Voorbeeld open textbook
VU: universiteitsbibliotheek en tekstboeken
TUD-platform: website textbooks

(*) Open platforms voor tekstboeken
– Vier platforms (Open StaxOpen Textbook LibraryUnglue.it en DOAB)

(*) Publicaties Versnellingszone ‘Naar Digitale (Open) Leermaterialen
White paper Spotify voor studieboeken
Toekomstvisie op digitale leermiddelen

(*) SURF
– Webpagina met allerlei materialen: Benut de kansen van digitale leermaterialen
– Met specifiek: Kennismaking open leermaterialen
– Met specifiek: Stappenplan Beleid voor open leermaterialen
– Met specifiek: Stappenplan Kwaliteitsmodel voor open leermaterialen
– Met specifiek: Stappenplan Vakvocabulaire voor open leermaterialen
– Repository: HBO-kennisbank

(*) Special Interest Group Open Education
– Thema-uitgave: Open Pedagogy

(*) EU
https://www.neth-er.eu/nl/nieuws/Commissie-gaat-actie-ondernemen-om-digitalisering-Europees-onderwijs-te-versterken

(*) Ministerie OC&W
–  de ambitie van het ministerie van OCW: in 2025 hebben alle docenten hun leermateriaal open beschikbaar gestelt.

n.b.: foto gemaakt door Ria Jacobi



Geplaatst in Open Online Onderwijs | Tags: | Een reactie plaatsen

Online Proctoring oppakken als leermoment

Door Corona heeft toetsen op afstand via online proctoring een boost gekregen: het online surveilleren bij een toetsafname (zie voetnoot onderaan). Nu toetsen in grote zalen niet meer kan, zoeken vele HO-instellingen andere manieren om de het toetsen te kunnen continueren. Dit met het doel te voorkomen dat studenten studievertraging oplopen.
De inzet van online proctoring blijkt een gevoelig onderwerp. Voor de zomervakantie liep het hoog op bij de UvA; kwam het aan bod in een debat in de Tweede Kamer. Recentelijk werden twee NOS-berichten gepubliceerd. Het eerste bericht ging over dat studenten van de Erasmus Universiteit hun diploma kwijtraakten na haperend online tentamentoezicht (zie NOS-bericht). Maandag 22 september een item over proctoring in EenVandaag-TV (zie eerste 5 minuten). En afgelopen zondag 4 oktober jl. een bericht op de website van het Autoriteit Persoonsgegevens (AP).

Ik volg de ontwikkelingen rondom proctoring met belangstelling. Ook bij Inholland zijn pilots afgelopen tijd georganiseerd. Op zich verliepen de pilots goed. De eerste reacties van studenten waren wisselend. Sommigen vonden het niks: voor hen hebben we een alternatief georganiseerd. Anderen vonden de toetsafname op afstand via proctoring oké. Voor alle studenten gold dat ze erg moesten wennen. Vooral het feit dat een camera de toetsafname filmt, vond studenten niet aangenaam. Ook al hadden we aangegeven (op diverse communicatieplekken) dat er achteraf pas naar de beelden werd gekeken. En dat alleen die beelden werden bekeken waarbij een afwijking in gedrag was geconstateerd.

Ook het komende jaar, alleen gedurende de Corona-periode, zullen we de mogelijkheid voor het afnemen van toetsen op afstand via online proctoring met het softwarepakket Proctorio aanbieden. We zien dit als een ‘gerechtvaardig belang’ om studenten goed onderwijs (waaronder toetsen) aan te kunnen bieden en (hierboven al aangegeven) gedurende de Corona-tijd studievertraging te voorkomen.
Wel stellen we heldere voorwaarden. Er moet sprake zijn van tentamens voor grote groepen, dat de opleidingen dit proces goed kunnen organiseren en dat helder is wat fraude is. Eenduidig moet zijn hoe de parameters van de software zijn ingesteld om afwijkend gedrag te kunnen detecteren. Eenduidig moet zijn hoe (opgeleide) surveillanten de beelden (achteraf) bekijken: is het twee of tien keer naar boven kijken wel/geen fraude? Ook vergt het afstemming tussen examencommissies van opleidingen. Want gebruikt iedere opleiding dezelfde instellingen? Anders werk je ongelijkheid in de hand. Bovendien is een gezamenlijk en breed gesprek nodig met vele betrokkenen. Transparantie, communicatie en verwachtingsmanagement zijn van groot belang. Ook naar en met studenten toe!

Want dat het gesprek over de betekenis van de inzet van nieuwe technologie is nodig: lees het bericht op Scienceguide (en ook de reactie bij het AP-bericht) Mij valt op:
(*) Het beeld of de veronderstelling dat de computer bepaalt wie fraude heeft gepleegd (wat niet zo is, want dat bepaalt nog steeds de examencommissie). Ik vraag me dan af hoe we, als mens, ons verhouden tot technologie. Is technologie een ding in zichzelf die autonoom mensen (bij online proctoring: studenten) bespiedt, beïnvloedt, controleert. Of is technologie een instrumenteel neutraal ding die je als autonoom mens (de docent) kunt oppakken voor een bepaald doel; bij online proctoring frauderen detecteren. Of gaan mens&technologie samen op: we geven betekenis aan technologie door met elkaar bewuste keuzes te maken bij het ontwerpen of de inzet ervan. Bijvoorbeeld bij online proctoring is dat het gezamenlijke gesprek over ‘wat vinden wij wat fraude is’ en op basis daarvan de software zodanig in te stellen (voor zover mogelijk).
(*) De aandacht voor privacy issue: en terecht! Bij online proctoring worden beelden gemaakt van personen (wel of niet in prive-ruimtes). Wel vraag ik me af waarom er niet meer ophef is over de privacy bij de inzet van applicaties (door docenten) in het onderwijs zoals bijv. Trello, Miro, Padlet, Facebook, Google e.a. gratis software. Welke data worden via deze applicaties opgeslagen en waar? Wat wordt hiermee gedaan en wordt dat veilig gedaan. Van wie is de data? Iets wat studenten erg vervelend vinden bij online proctoring.

Naar aanleiding van deze berichten en wat ik in het project van Inholland merk.
(*) Online proctoring wordt nu ingezet gedurende de Corona-periode; een noodmaatregel om na Corona weer te stoppen. Kunnen we niet beter kijken naar wat we leren en waar de krachtige toepassing zit van deze mogelijkheid? Willem van Valkenburg (TUD) bijvoorbeeld in het Scienceguide artikel aan dat proctoring heel goed ingezet kan worden voor specifieke doeleinden. Bij de TUD zijn dat bijvoorbeeld het toetsen op afstand bij internationale studenten. Maar ook kun je denken aan de inzet voor studenten met een functiebeperking.
n.b. In het bedrijfsleven of in het post-HO wordt al heel lang met toetsen op afstand mbv online proctoring gewerkt.
(*) Opleidingen zetten online proctoring veelal in bij kennistoetsen, als summatieve toets, voor grote groepen studenten. Valkenburg in Scienceguide: ‘het lijkt nog het meest op een ouderwets tentamen’. Want ja, toetsen afnemen voor grote groepen studenten kan op dit moment niet meer. Rondom summatieve toetsing is al een tijdje een gesprek gaande. Een gesprek over van toetscultuur naar feedbackcultuur: het formatief handelen, formatief evalueren. Laten we de inzet van online proctoring, ook omdat het toch gevoelig ligt, de aanleiding laten zijn om dit gesprek te versterken. Hoe toetsen we, en hoe willen we toetsen? Wellicht is online proctoring nodig in een bepaalde context of voor bepaalde doelgroepen of passend bij een doordacht onderwijsontwerp.

Online proctoring is gedurende Corona-periode een noodoplossing om toetsen op afstand te kunnen afnemen. Dit met het idee dat we in de post-corona-periode terug naar normaal fysiek onderwijs gaan. Mijn inzet is toch het gesprek aan te gaan wat de onderwijspraktijken kunnen zijn waarin online proctoring goed kan worden toegepast. Deze tijd geeft enorm veel ervaringen rondom de inzet van digitale tools, waaronder online proctoring, met bijbehorende issues zoals privacy, reacties op verandering, reacties op digitalisering, en de betekenis van technologie (in onderwijs). Kortom, laten we online proctoring oppakken als leermoment (en niet alleen als privacy-moment). Allereerst als tool (hoe en wanneer zetten we het in?) en tevens als fenomeen (wat betekent de inzet voor het ontwerpen van onderwijs met technologie?).

Bronnen
HRO: Online proctoring bij de Hogeschool Rotterdam
RU: handreiking over online proctoring met Proctorio
SURF: white paper over online proctoring
NHL: ervaringen van proctoring via Proctorexam
Versnellingsplan: Handreiking digitaal toetsen op afstand (hoofdstuk 6)

n.b. Bij Inholland onderscheiden we, om verwarring te voorkomen, online proctoring en online surveilleren. Bij online surveilleren is er sprake van surveillance tijdens de toetsafname: dit doen we via MSTeams. Bij online proctoring is er sprake van surveillance achteraf: de opgenomen beelden, en dan de afwijkingen, worden achteraf bekeken.

Geplaatst in e-learning, Online toetsen | Tags: , | Een reactie plaatsen

Keuzediagram Online Leerpraktijk

Voor de zomer heb ik, samen met collega’s, met veel plezier gewerkt aan ondersteuningsmateriaal voor docenten. Onder andere samengewerkt met collega’s van het lectoraat Teaching, Learning and Technology die een keuzediagram hebben ontwikkeld t.b.v. het ontwerpen van online leerpraktijken. Ik wil dit diagram niet laten ontbreken op mijn blog. Hier de link naar het keuzediagram: keuzediagram

Het keuzediagram (online) leerpraktijken is een instrument dat je kunt inzetten bij het ontwerpen en uitvoeren van (online) activerend onderwijs. Het instrument helpt bij het vinden van antwoorden op vragen zoals:

(*) Welke leeractiviteiten kan ik bij studenten in gang zetten om een bepaald leerdoel te bereiken?
(*) Is er een optimale volgorde van leeractiviteiten?
Hoe zorg ik ervoor dat studenten actief betrokken raken bij hun eigen leerproces?

De aanleiding is de vele vragen die we de afgelopen tijd binnenkregen over van docenten. Veel vragen van docenten gaan over de functies en mogelijkheden van een applicatie en over het gebruik van omgevingen om onderwijs te verzorgen. Begrijpelijk. Niet voor niets lees je toch veel docenten 1 op 1 hun onderwijs van fysiek naar online overzetten: advanced remote teaching. Tegelijkertijd horen we ook dat docenten online lesgeven aan grote groepen vermoeiend vinden en niet altijd effectief. Zo verschijnen studenten niet, soms zetten ze hun beeld uit. Het vraagt veel van de concentratie zowel van de studenten als docenten. Echter, juist nu is het belangrijk dat effectief vormgeven van online onderwijs aandacht krijgt.

Vandaar dit keuzediagram bedoeld als ondersteuning voor het maken van keuzes op de korte termijn voor het herinrichten van leerpraktijken. Startpunt bij het herinrichten is niet de tool, de functionaliteit, de technologie maar een gegeven leerpraktijk. In vier stappen worden docenten geholpen bij te maken keuzes bij het vormgeven van een volwaardig leerproces. Bij de onderwijsactiviteiten in de fases van dat leerproces worden keuzes gemaakt voor vormen van leren (zelfstudie, interactie of samenwerkend leren) en wordt de uitvoeringswijze bepaald (synchroon of asynchroon). Inzet daarbij is dat alleen synchroon wordt gedaan wat synchroon moet en daarnaast asynchroon wordt gewerkt.

Nog de reactie van Wilfred Rubens op het keuzediagram: reflectie op keuzediagram.

Geplaatst in blended learning, didactiek | Tags: , | Een reactie plaatsen

Afscheidsrede Jos Franssen: Naar maatwerk in toekomstgericht onderwijs

In juli heeft, in stilte toch wel een beetje a.g.v. deze coronatijd, mijn collega Jos Fransen afscheid genomen van Inholland. Vijf jaar heeft hij verder vorm gegeven aan zijn Lectoraat: ‘Teachning, Learning & Technology’. In zijn lectoraat wordt onderzoek gedaan naar de didactische inzet van technologie in leerprocessen. Als afscheid laat hij een afscheidsrede na, in de vorm van een publicatie.
Wat mij betreft is de kern van het gedachtengoed in deze publicatie dat we als hoger onderwijsinstelling: de student opleiden tot een zelfsturende professional. We zullen de student serieus moeten nemen als professional in opleiding. Dit betekent dat we het eigenaarschap van het leerproces en ook voor de toetsing zo veel mogelijk beleggen bij de student, passend bij het niveau van ontwikkeling. Voor het vormgeven van ons onderwijs betekent dit: maatwerk, op verschillende niveaus.
Jos Fransen heeft zijn afscheidsrede opgehangen aan de 4 lijnen van de Inholland Kwaliteitsafspraken: beroepsproducten, activerend onderwijs, leergemeenschappen en deze alle drie ondersteund door technologie.

Lijn 1. Beroepsproducten.
Bij beroepsproducten (of liever ‘beroepstaken’) gaat het om wat iemand in de beroepspraktijk moet kunnen. Dit moet dan ook het uitgangspunt zijn voor een curriculum. En daarbij gaat het om de afstemming van de complexiteit van de taakuitvoering op kenmerken van de student. Van een ‘novice’ verwacht je iets anders dan een expert. Niet dat de complexiteit van de taak anders is. Het gaat er om wat je van een student mag verwachten. Zo ontwikkelt de student zich toe naar het uitvoeren van een volwaardige taak. De inzet verschuift dan van ‘leren van de praktijk’ naar ‘leren in de praktijk’. De toetsing zal op een steeds rijke bewijslast plaatsvinden om daarmee tot een valide beoordeling te komen. De student die steeds meer zelfsturend wordt en zich ontwikkelt van novice tot expert. Maatwerk in alle opzichten.

Lijn 2. Activerend onderwijs
Bij activerend onderwijs gaat het in principe om versterking van de kwaliteit van de interne dialoog bij de student. Nodig voor diepgaand leren. De aanpak daarbij hangt af van de voorkennis en ervaring van de student. Het learner-learning framework van Laurillard, en het 4C-ID model van Jeroen van Merriënboer haalt Jos Fransen aan. Om een beroepstaak succesvol te kunnen uitvoeren is het belangrijk aan te sluiten bij met name de kennis die iemand al heeft. Voor het verwerven en verwerken van nieuwe kennis is een inductieve en begeleid inquisitoire aanpak nodig; bij een expert is een deductieve en expositoire aanpak efficiënter en effectiever. Ook hier maatwerk: naargelang type beroepstaak en fase van ontwikkeling van de professional in opleiding.

Lijn 3. Leergemeenschappen
Leergemeenschappen verschillen naargelang het doel dat ze dienen en de context waarin ze worden vormgegeven of ontstaan. Jos Fransen stelt een indeling voor waarbij leergemeenschappen worden gepositioneerd naargelang de prioriteit ligt bij leren of werken, en of ze bewust worden georganiseerd of eerder spontaan tot stand komen. Zo ontstaan verschillende types die op verschillende momenten en om verschillende redenen een rol kunnen vervullen. Ook hier, bij het concept leergemeenschap, maatwerk als het gaat om de inzet en concretisering. Te zien aan het volgende overzicht (zie blz 39, afscheidsrede).




Centraal in de matrix is het ‘living lab’ gepositioneerd: een hybride vorm van een leergemeenschap. Het doel van zo’n living lab is dat professionals en niet­professionals samenwerken aan complexe (maatschappelijke) vraagstukken, waarbij ‘ontwerpen’ en ‘onderzoeken’ worden verbonden.

Lijn 4. Ondersteuning door technologie
Jos Fransen stelt de groeiende impact van de technologie op leven en op werken vast. Vandaar dat hij twee perspectieven voorstelt: (1) Leren van/met technologie: technologie ter ondersteuning van het leren; (2) leren over technologie: de te ontwikkelen kennis en vaardigheden door studenten ten aanzien van technologie in hun toekomstig beroep. De inzet van technologie zal daarmee afhangen van de vraag of het puur gaat om de ondersteuning van het leerproces, of dat het ook of vooral gaat over het leren omgaan met technologie in het kader van specifieke beroepstaken. Ook hier zal de inzet van technologie maatwerk vereisen. Beredeneerde keuzes maken. Want de functie die de technologie vervult en de positie van de professional in opleiding bepaalt wat en hoe je technologie inzet. Deze doordachte inzet vraagt het nodige van de docent.

Kortom (zie blz 70): Dat betekent dat de didactische vormgeving van toekomstgericht onderwijs geen kwestie is van de toepassing van standaardaanpakken, maar dat het bij het ontwerpen van leerpraktijken gaat om de vraag welke aanpak voor wie op welk moment in welke vorm het meest passend kan zijn. Maatwerk dus.

Andere bronnen
(*) De afscheidsrede in 15 minuten: samenvatting op video.
(*) Toekomstgericht onderwijs bij Inholland: Interview van Jeroen Bottema met Jos Fransen en Huug de Deugd.
(*) De Inholland-site met alle informatie m.b.t. de afscheidsrede over toekomstgericht onderwijs.
(*) Publicatie afscheidsrede van Jos Franssen: Naar maatwerk in toekomstgericht onderwijs

Geplaatst in didactiek, onderwijsinnovatie, Ontwerpen, Rapporten | Tags: , , | Een reactie plaatsen