Net gepubliceerd: het Educause Horizon Report 2021 Teaching and Learning

Het jaarlijkse rapport van het New Media Consortium en EDUCAUSE Learning Initiative is weer gepubliceerd: 2021 Educause Horizon Report Teaching and Learning edition. In dit rapport worden de belangrijkste ‘trends’ beschreven die bijdragen aan de versnelling van de adoptie van onderwijstechnologie.

Het T&L-rapport gaat in op diverse trends zoals: sociale ontwikkelingen (vergroting digitale kloof); economische ontwikkeling (verschuivende vraag in digitale competenties op de arbeidsmarkt en politieke ontwikkelingen (opkomst nationalisme). En natuurlijk de technologische trends: de focus van deze blog.

Het panel, met leden uit verschillende landen, beschrijft zes ‘emerging’ technologische ontwikkelingen en voorbeelden. Zij verwachten dat deze beschreven technologieën impact zullen hebben, in de komende tijd, op de verdere ontwikkeling van het hoger onderwijs. De zes zijn:

  1. Artificial Intelligence (AI)
    AI is complex en controversieel, stellen de schrijvers. Beschreven toepassing lopen van het identificeren van studenten die worstelen met hun studie tot onderzoeken van houding en emotie van studenten tijdens het leren. Bij procotoring wordt AI ook toegepast. Al lezend zie je dat de introductie van AI in onderwijs toepassing heeft op het terrein van Learning Analytics. En natuurlijk wordt gewezen aandacht te besteden aan de ethische vraagstukken.
    Maar ook voorbeelden bij Self-Regulated-Learning: FloRA-project of WeLearn (kennisdeling en concept mapping via AI).
  2. Blended and Hybrid  onderwijsmodels
    Blended en Hybride onderwijs is, sinds Corona, niet meer weg te denken in hoger onderwijs. Sinds afgelopen 1,5 jaar is een diversiteit aan terminologie ontstaan.
    Diverse Corona-proof leslokalen zijn ingericht: zie Harvard Business School. De Hybride Virtual Classroom. Studenten pleiten wel voor, blijkt uit een Educause-onderzoek , f2f-onderwijs in de Post-Corona tijd (in combi met online-activiteiten).
  3. Learning Analytics
    Learning Analytics is een sterke opkomende ontwikkeling. Instellingen zijn steeds meer bezig hun interne systemen, hun ‘datahuishouding’, op orde te krijgen. Dit met het doel data effectief te verzamelen, beschikbaar te maken en toe te kunnen passen voor het leren. Want in de kern gaat het om evidence-informed interventies te kunnen doen ten behoeve van het leerproces van studenten. Daarbij rekening houdend met de diversiteit aan doelgroepen(en dus leervraag). Wat aandacht nodig heeft is o.a.: de infrastructuur, data-strategy,  data-bewustzijn bij alle stakeholders.
    Voorbeeld: MyLearningAnalytics of U-behaviour. Het framework studiedata, ontwikkelt vanuit het Versnellingsplan, wordt ook genoemd.
  4. Microcredentialing
    In het rapport wordt gesteld dat Microcredentials niet meer weg te denken zijn uit het HO-landschap. Hierbij gaat het om: ‘verify, validate, and attest that specific skills and/or competencies have been achieved’. Vooral door de MOOC’s (in de VS) zijn er allerlei ontwikkelingen. Ik las credegree, een combinatie van behalen van het Ba-diploma (degree) met het behalen van credentials. Of micro-pathways: het combineren van credentials tot een pakket die aansluit op de vraag van bedrijven/organisaties.
    De schrijvers van het rapport vragen zich af of de manier waarop wij ‘opleiden tot een diploma’  nog voldoet aan de (snel) veranderende arbeidsmarkt: de behoeften van zowel (werkende) lerenden als het werkveld waarin zij zich voorbereiden om te werken.
    Voorbeeld: ECIU of Colab Employers Partnership.
  5. Open leermaterialen  (Open Educational Resources (OER))
    Het aantal digitale leermaterialen is enorm gegroeid door Corona. Steeds meer studenten gebruiken online leermaterialen en tekstboeken of readers.
    Het stimuleren van het delen en hergebruiken van open leermaterialen is niet alleen vanwege de hoge kosten voor studenten (vooral in de VS een issue). Het gaat ook om studentbetrokkenheid en activerend leren door studenten hun eigen materiaal te laten maken (in samenwerking met peers of de docenten) en deze weer te delen. De schrijvers constateren dat de adoptie van open leermaterialen nog traag verloopt. Ze geven aan dat toch andere attitude nodig is rondom ‘delen&hergebruik’. Tevens zien ze de stevige positie van uitgeverijen in de onderwijsmarkt.
    Voorbeeld: OpenEd Edinburgh en Ohio State project: OSU.EDU.
  6. De kwaliteit van Online Leren
    Een nieuwe categorie in het rapport. Door Corona wordt er online onderwijs gegeven (iets wat zal blijven). De vraag groeit naar hoe dit effectief te doen en hoe een goed online onderwijs te ontwerpen. Hoe zorgen we voor het duurzaam inzetten van online leren? En ook wat is de kwaliteit van (online/blended) onderwijs . Thema’s (opnieuw) krijgen aandacht: studentgericht onderwijs, inclusief onderwijs, goed ontworpen onderwijs. Het verstevigt (ook door Corona) de dialoog over onderwijsvernieuwing.
    Voorbeelden: keepteaching (docent) keeplearning-webiste voor studenten.

De zes technologieën en praktijken die zijn beschreven zijn niet nieuw met uitzondering van ‘Kwaliteit van Online Leren’: het bevestigd eerder trends die gaande zijn en blijven. Of (blz 35): ‘’Through the adoption of new learning technologies and hybrid learning models, it became widely accepted that anyone can and should be able to learn from anywhere’’.

De voorbeelden geven je (tenminste mij) een inkijkje hoe ver de ontwikkelingen al zijn en hoe snel het gaat. Mede door Corona. De manier van hoe wij onderwijs aanbieden, hoe we studenten opleiden, hoe we onderwijs organiseren, verandert: veel meer onderwijs en leermaterialen zijn toegankelijk; nieuwe flexibele modellen ontstaan; nieuwe aanbieders van onderwijs dienen zich aan en ook een nieuwe vraag. Maken we hier voldoende gebruik van? Sluiten we voldoende aan op die bewegingen waar de zes technologieën voor staan?

De voorgaande horizon reports: zie hier. En meer artikelen van Educause over The Future of Higher Education.

Geplaatst in Rapporten, Trends | Tags: , | Een reactie plaatsen

Kan terug naar normaal?

De roep om houvast is groot. Wat kunnen we in het nieuwe studiejaar op rekenen: 100% online nog steeds? Of 100% fysiek onderwijs? Of toch rekening houden met de 1,5 m samenleving. In onzekere tijden willen we grip krijgen en anticiperen.

We gaan ‘gewoon’ fysiek (UvA). We gaan online en vooral offline (VU hoe onderwijs 2021-2022?). We gaan 40% online en 60% fysiek (een MBO). Vroeger lijkt ideaal. Tegelijkertijd willen voorkomen terug te veren naar ‘oude normaal’ en positieve ervaringen vasthouden voor ‘nieuwe normaal’. De vraag is of ‘terug naar normaal’ wel kan.

Jitkse Kramer beschrijft de fases waar we door heen gaan: de corona cultuurshock. Misschien zitten we nog in de eerste cultuurshock (de shock van de nieuwe situatie en wel/niet accepteren), zoals ze beschrijft: we willen de scherpte van de verandering niet voelen. Of zitten we in de tweede cultuurshock: de mentale klap. ‘’ In de eerste shock moest je brein alle nieuwe input steeds filteren om het te begrijpen, in deze shock wil je brein er ook iets van vinden. Je komt jezelf nu keihard tegen. Je wordt geconfronteerd met jouw diepste overtuigingen.’’

(bron: https://www.managementimpact.nl/artikel/corona-cultuurshock-crisis-of-transformatie-longread-van-jitske-kramer/)

Jitkse Kramer geeft aan: ‘terug naar normaal’ kan niet. Ik denk dat we in de eindfase van de tweede cultuurshock van Kramer zitten. Ook oriënterend we ons op de terugkeer met de wens terugvering te voorkomen. Dat vraagt een moment van reflectie. Voeren we gesprekken over onze overtuigingen en intuïtieve en routinematige handelingen. Laten we toe dat we het even niet weten? Want, deze corona-periode verandert mensen. En wat is ‘oude normaal’? One-size-fits-all-benadering? De overtuiging dat online Onderwijs inferieur is tov fysiek onderwijs (geen kwalitatief goed onderwijs kan worden) of dat studenten geen online onderwijs willen? Romantiseren we ook ‘het oude normaal’? Verandering is constant.

Belangrijk is dan stil te staan bij wat we leren van wat er in het afgelopen jaar is gebeurd?
Doen we dan niet dan hebben we het voordat we het weten, over zoals mijn collega zegt: blended teaching. Iets wat we doen blijkbaar in tijden van onzekerheid: terugvallen op reflexmatige mechanismes. We zien dan het overzetten van fysiek onderwijs in online: emergency remote teaching.

We wilden naar blended learning waarbij de gerichtheid is op het leerproces van de student. Want het gaat uiteindelijk om betekenisvol leren. Pak High Impact Learning that Lasts (HILL) van Dochy er weer eens bij. Bij betekenisvol leren het gaat het om een leercultuur en geen presteercultuur. Met de nadruk op: studentgerichtheid, studentgedrevenheid, student-agency, de actieve en constructieve rol van de lerende. Daarbij meenemend de onvoorspelbaarheid van de toekomst en de (snelle) veranderingen in de arbeidsmarkt en maatschappij. En misschien zo nu en dan de cultuurshocks (veroorzaakt door wat dan ook).

Jitkse Kramer geeft ook aan: reken bij post-corona op een terugkeershock. We gaan ons beseffen dat het oude normaal niet meer bestaat. Door de nieuwe ervaring ga je het normale anders beleven. Want: ‘Opnieuw start er een veranderfase die vergelijkbaar is met die waar je net uitkomt. Oud en nieuw moeten zich tot elkaar leren te verhouden’. Terecht is haar vraag dan ook: pakken we corona op een crisisperiode (straks terug naar normaal ) of pakken we het op als transformatiereis (wat gaan we anders doen). En dit hoeft echt niet met grote stappen, revolutionair. Doorontwikkelen: leren = continue bewegen. Zoals Coppoolse het aangeeft: het bewegen start met bewust worden van onze overtuigingen, waarden en de impact van ons eigen handelingsrepertoire tijdens belangrijke (beslis)momenten. En dat gaat verder dan een gesprek over 40%-60% online/offline.

Meer lezen
(*) Meer van Jitske Kramer over cultuurshock
(*) Wat we geleerd hebben: Hanzemagazineartikel; drie artikelen beschreven door Wilfred Rubens.
(*)  Artikel: verschil emergency remote teaching en online onderwijs
(*) Artikel Sciencedirect over emergency remote teaching
(*) Artikel van Dochy: High impact Learning anno 2022


Geplaatst in onderwijsinnovatie, Rapporten | Tags: , | Een reactie plaatsen

Rapport: na Corona, 100% online is niet ideaal. De toekomst is blended onderwijs.

Foto: Nick Morrison (Unsplash)

Terug naar normaal, campus-onderwijs: als het aan studenten ligt, kan het ook voor een deel online. Want: ‘Het hele idee dat je niet meer verplicht naar de campus hoeft te komen, maar het college ook prima online te volgen is, staat mij erg aan’. En:  ‘Ik ben meer voor een flipped classroom principe waarbij kennis vooraf aan het college gedeeld worden en de colleges zelf gebruikt kunnen worden voor interactie, verheldering, verdieping of toepassing.’ Voor studenten is de toekomst een mix van face-to-face en online interactie : pak de positieve ervaringen op. Schrijft: Charlotte Meijer.

En gelukkig we hoeven ook niet terug naar normaal: blended onderwijs heeft de toekomst.
Dat komt naar voren uit een net uitgekomen onderzoek van Turner.  Zij deden een onderzoek onder ruim 1.500 van onze studenten, docenten en stafmedewerkers om lessen te trekken uit de coronaperiode. Rapport te downloaden: hier.

Conclusie is dat 100% online niet ideaal is. Wel zijn er positieve (persoonlijke) ervaringen met online onderwijs. Die wil je toch meenemen in het herontwerpen van onderwijs voor nu en na Corona. Dit versterkt bewegingen die al zijn ingezet, want online onderwijs biedt meer mogelijkheden: (*) om maatwerk te bieden, om te differentiëren; (*) beter (interactief) internationaal onderwijs geven; (*) te oefenen door o.a. op een eigen gewenst tijdstip te kunnen (her)bekijken, pauzeren en terugspoelen (ervaart Charlotte Meijer ook); (*) en tevens: het (organiseren van) online vergaderen en overleggen gaat effectiever en makkelijker.

Studenten en docenten willen een mix van online en face-to-face (f2f). Uit het rapport komt naar voren dat de ideale mix (f2f-online) gebaseerd is op een persoonlijke voorkeur. Over online toetsen zijn de meningen verdeeld (docenten en studenten). De vraag is wat het uitgangspunt is: persoonlijke voorkeur of weldoordacht ontworpen onderwijs?

Het gaat bij blended learning om een optimale mix van didactische werkvormen, uitgaande van gestelde leerdoelen en leeractiviteiten. Het leerproces en de leeractiviteit van de student ondersteunen (Barend Last) door een beredeneerde keuze gemaakt door de docent (Jos Franssen). Elke, online en f2f didactische werkvormen heeft een eigen kracht.

Verandering roept onzekerheid op. Het onderzoek lezend, besef ik ook, dat het gemakkelijker is gezegd dan gedaan: die eigen kracht benutten. Handelingsverlegenheid speelt een rol. Niemand wil z’n onhandigheid met online-interactie-activiteiten laten zien. Benut expertise en de kracht die al in een team aanwezig is. Bloeit de ene docent op in een collegezaal, de ander vindt het maken van kennisclips leuk (aanbeveling rapport ). Het loslaten van diepgewortelde overtuigingen speelt een rol. Een verandering van mindset: omdat het ‘niet anders kon’. Innovatiekracht door (noodgedwongen) doen.

Experimenteren is leren. Innovatiekracht kwam vrij door experimenteren.
….schrijft Coppoolse . Ik hoor vanuit onze opleidingen dat men niet wil terugveren naar het ‘oude’ normaal maar de leerervaringen delen om er vervolg aan te kunnen geven. Om zo die innovatiekracht vast te houden.

Betrek ook de student. Die helpt mee de innovatiekracht vast te houden. …en het blended learning te versterken. Het gaat tenslotte om het leerproces van de student. Hoe kunnen we met alle betrokkenen een bijdrage leveren aan de ondersteuning daarvan. En dat kan dus voor een deel online.

Lees ook:

(*) ISO-rapport over ervaringen van studenten met online onderwijs en toetsen op afstand.
(*) Modellen voor blended Learning door Barend Last.

En twee artikelen van Scienceguide:

Geplaatst in blended learning, Ontwerpen, Rapporten | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Thema-uitgave Hergebruik van Open Leermaterialen (publicatie SIG Open Education)

’Beschikking hebben over diverse leermaterialen verrijkt het onderwijs, zowel voor docenten als studenten. Docenten kunnen hun leeromgeving met diverse materialen inrichten en daardoor didactisch verrijken. Studenten hebben meer en divers leermateriaal ter beschikking ‘waardoor zij meer kunnen kiezen voor een manier van leren die bij hen past. Daarmee stimuleer en versterk je de invloed op het eigen leerproces.’’ (blz 6 Thema-uitgave)

Dit zijn enkele redenen om open leermaterialen te delen en hergebruiken.
Startend bij de opkomst van de Massive Open Online Courses (MOOC’s) in 2012 is er over de jaren heen enorm veel mooi materiaal ontwikkeld en open gedeeld door instellingen op diverse platformen. Toch blijkt dat hergebruik van deze open leermaterialen voor veel instellingen nog een groot vraagstuk is. Want hergebruik van open leermaterialen blijkt toch lastig. Om Open Onderwijs kun je niet meer om heen. Er zijn nog wel issues.

Vandaar dat de SIG Open Education in de Open Education week aandacht besteed aan hergebruik van open leermaterialen door een Thema-uitgave hierover te publiceren en daarover een webinar te organiseren (4 maart). Dit doet de SIG om beter in staat te zijn het potentieel van hergebruik van open leermaterialen te benutten. De Thema-uitgave beschrijft het hergebruik vanuit een aantal perspectieven. Hieronder per perspectief de kern.

Docentenperspectief
Docenten zijn vaak degenen die open leermaterialen ontwikkelen, delen en hergebruiken. Het blijkt dat docenten zich meer bewust zijn van open licenties. Het  controleren van de licenties voor hergebruik blijkt niet vanzelfsprekend te zijn. En het blijkt dat open leermaterialen niet makkelijk te vinden zijn (er is een oerwoud aan repositories). Ook zijn sommige leermaterialen makkelijker aan te passen (tekst) dan andere (video). Bovendien hoe herken je open leermaterialen en heeft het kwaliteit? Goede randvoorwaarden waaronder ondersteuning is van groot belang om docenten in staat te stellen geschikte open leermaterialen eenvoudig te vinden, de kwaliteit te bepalen en ze, indien nodig, aan te passen aan de context van gebruik.

Studentperspectief
In onderzoek onder 40 studenten blijkt dat toch het merendeel van hen (bijna) altijd voldoende heeft aan de voorgeschreven leermaterialen door de docent. Wanneer studenten leermaterialen zelf zoeken, zoeken ze op internet of maken ze gebruik van aangereikte bronnen door medestudenten  of, omgekeerd, delen ze hun bronnen met derden. Studenten gaan vooral op zoek naar alternatieve leermaterialen om hun leerprocessen beter te ondersteunen: soms is de uitleg in alternatief materiaal duidelijker geven ze o.a. aan als reden. Opvallend is dat de meerderheid van de studenten aangeeft weinig problemen te ondervinden bij het bepalen van de kwaliteit van de gevonden leermaterialen. Bij docenten blijkt dit vaak een hindernis om open leermaterialen te hergebruiken. Een aanbeveling is om ter ondersteuning van het leerproces studenten zelf actief op zoek te laten gaan naar open bronnen.

Bibliotheekperspectief.
Slim gebruik maken van bestaande onderwijscontent: hoe doe je dat? Online onderwijs is deze Corona-tijd belangrijk geworden. Er veel ook (open) leermaterialen beschikbaar gekomen daarvan zouden we meer gebruik van kunnen maken. Het blijkt dat goede ondersteuning vanuit de bibliotheek nodig is het hergebruik te stimuleren. Uit een onderzoek onder 26 vakcommunites komt naar voren dan ondersteuning gewenst is op:

  • Advies op auteursrechten, voor hergebruik van open maar ook commerciële materialen;
  • Advies op Creative Commons licenties, zodat zij weten hoe zij open materiaal mogen hergebruiken;
  • Ondersteuning bij het beschikbaar stellen van materialen, zoals metadatering en collectievorming op communitypagina’s;
  • Men wil graag beschikken over auteurtools die hen ondersteunen bij instellingsoverstijgende samenwerking en bewerking van leermaterialen, zoals open tekstboeken, video, PowerPoint en tekstdocumenten.

Deze uitkomsten zijn input voor een 2-jarig projectplan. Onder andere daar aandacht voor edusources en een ondersteuningsloket voor docenten (in vakcommunity’s). Een oproep wordt gedaan om bij te dragen aan dit landelijk ondersteuningsloket. Wie wil?

Professionaliseringsperspectief
Volgens de auteurs ontbreekt ontbreekt het veel onderwijsinstellingen aan een integrale aanpak voor Open Educational Resources (OER). Ze zien dat OER een belangrijke rol kan gaan spelen bij de cruciale verschuiving naar digitaal leren in het onderwijs. Veelal wordt OER gedeeld en gebruikt in de les. Minder zie je het delen en hergebruiken van (volledige) cursusaanbod en ‘zelfs de ontwikkeling en implementatie van intra-institutionele systemen die de uitwisseling van materialen kunnen faciliteren’(blz 29). De inzet van OER blijk ‘hangen’ op delen echter de kracht van OER zit veel meer in het verrijken en opnieuw delen van leermaterialen.  En dan worden niet alleen auteursrechten (en dus kennis van CC-licenties) van belang, waar nu vaak het accent op ligt, maar ook digitale geletterdheid, informatievaardigheden en innovatie pedagogiek allemaal met elkaar verweven in OER.

In het artikel wordt nader ingegaan op in een UNESCO-competentiekader uit 2016 waarin vijf afzonderlijke categorieën vaardigheden zijn omschreven (om die verschuiving te versterken): het zich vertrouwd maken met, zoeken naar, gebruiken, creëren en delen van OER. Voor de discussie over vaardigheden op het gebied van OER , in combinatie met pedagogische theorieën, geeft dit een kader.

Nationaal perspectief
SURF heeft een analyse gedaan naar de impact van de stimuleringsregeling open en online onderwijs. Uit de analyse van het spoor Open Onderwijs blijkt dat het stimuleren van het ontwikkelen, delen en hergebruiken van open leermaterialen in vakcommunities werkt. De gedachte dat hergebruik van open leermaterialen makkelijker plaatsvindt in groepen waar mensen elkaar kennen, keert terug in een groot deel van de huidige projecten in de pijler Open Leermaterialen. Bovendien de voorwaarde om mee te doen aan de regeling is dat de ontwikkelde materialen open beschikbaar te stellen. Dit versterkt kennis over en bewustwording van delen en hergebruik van open leermaterialen.

Slot
Delen van open leermaterialen is een eerste stap. Het hergebruik van open leermateriaal gebeurt niet zomaar. Docenten moeten weten waar ze materialen kunnen vinden en hoe ze deze kunnen hergebruiken. Daarvoor is ondersteuning nodig en de juiste randvoorwaarden (waaronder een goede infrastructuur) waaronder een goede ondersteuning vanuit de bibliotheek. Het werken in vakcommunities stimuleert enorm.

Wat nog aandacht behoeft is hoe student actief kunnen bijdragen aan het hergebruik van open leermaterialen. Niet alleen voorgeschreven (gedeelde) leermaterialen van de docent in de les gebruiken, maar zelf actief op zoek naar OER en deze beoordelen, hergebruiken en verrijken vanuit eigen visie of kennis: liefst in co-creatie. Een stimulans tot Open Pedagogy.
Want, en ik citeer een zin uit het professionaliseringsartikel: de transformerende kracht van OER ligt overnemen, verbeteren en herdistribueren van die materialen (blz 29). Vanuit die gedachte zijn moet niet alleen aandacht worden besteed aan auteursrechten, maar ook aan digitale geletterdheid, informatievaardigheden en vernieuwing van pedagogiek. Kennis en vaardigheden, nodig in een informatiesamenleving.

In de redactie van de Thema-uitgave zaten, naast mijzelf: Robert Schuwer en Marjon Baas.

Nog een suggestie voor ‘te lezen’ vanuit het webinar: Practitioner Perspectives: The DOERS3 Collaborative on OER in Tenure and Promotion; en Open Leermiddelen in VO en MBO.
Over alle webinars in de Open Education Week komt nog een overall-blog. Die plaats ik hier nog tzt.

Geplaatst in Open Online Onderwijs, Rapporten | Tags: , | Een reactie plaatsen

Studentbetrokkenheid versterken door Open Pedagogy (webinar 3 maart in de Open Education Week)

Leren doe je samen, samen kennis creëren. Studenten ontberen dat in deze Corona-tijd. Studenten voelen zich eenzaam en niet verbonden met mede-studenten, de docenten en de opleiding. (Volkskrant, NRC). Maar ook onderzoek ISO: studenten missen de sociale verbondenheid, de groep waarin en waarmee ze leren: hun studiegroep c.q. community. En juist die sense of community is van belang voor studiesucces. Of denk ook aan de aspecten vanuit de community of inquiry theorie: sociale verbondenheid (met wie je leert); een uitnodigende leercontext (de leeromgeving waarin je leert en onderzoekt) ; en verbonden zijn met wat je leert: student-agency.

Studentbetrokkenheid kun je op verschillende manieren versterken. Eentje daarvan is via Open Pedagogy. Onderwijs ontwikkelt vanuit de ‘Open Pedagogy’ gedachte nodigt studenten uit hun bijdragen open te delen: de waarde die studenten creëren of toevoegen aan kennis(objecten) komt daarbij beschikbaar voor anderen. Het kan dan bijvoorbeeld gaan over gecreëerde tekst die door andere studenten verder wordt doorontwikkeld (zij voegen waarde toe). Hiermee vergroot je actieve betrokkenheid bij het leren, en ook verantwoordelijkheid voor het leren.
In de Thema-uitgave over Open Pedagoy beschrijven we nog vier karakteristieken waarvan dus toeveogen van waarde er één is. Deze vier karakteristieken komen terug in de volgende visual. We hebben ons laten inspireren door een artikel in Caroline Sinkinson die 4 aspecten van Open Pedagogy combineert met (voor)waarden van betrokkenheid:  participeren in een community, verantwoordelijkheid nemen voor leren , nieuwsgierig, en invoelen hoe een community werkt en wat de impact is van bijdragen daaraan.

Om het wat concreter te maken hebben we per karakteristiek een paar voorbeelden:

  • Leertaken met OER: studenten maken een reader met OER; deze reader wordt elk jaar ge-update en aangevuld;
  • Verbinding in open netwerken: leren en werken in en/of bijdragen aan en/of (mee) ontwikkelen aan producten in (bestaande) vakcommunities of labs;
  • Kenniscreatie (nieuwe kennis): artikel schrijven/kennisclips met uitleg van leerstof en dat weer delen;
  • Toegankelijke waarde toevoegen: toetsvragen maken; blog schrijven.

Open Pedagogy lijkt abstract maar is eigenlijk heel concreet. Bovendien kun je al ‘klein’ starten door studenten zelf open leermateriaal te laten zoeken en te (her)gebruiken in het vak. Kenniscreatie naar aanleiding van bestaande kennis en daarbij iets vanuit jouw idee iets aan toevoegen.

Quotes:

Uiteindelijk gaat het steeds om betekenisvol leren. Want dat zit achter de ‘verzuchting’ van vele studenten nu. Leren ontstaat in verbondenheid en door (inter-)actie: het is een sociaal proces. Onderdeel zijn van een community kan een belangrijke rol spelen. Waarbij Open Pedagogy (en misschien wel meer dan verbonden met OER) is het inzetten van open netwerken.
En die sociale verbondenheid (in een community/netwerk) versterkt het (verbonden zijn met het) eigen leren: weten waartoe je leert (lees ook Dopmeijer)). Echter eigen keuzes maken, verantwoordelijkheid hebben voor je eigen leren (autonomie), (creatief) bijdragen vraagt (pro-)activiteit van studenten en bewuste keuzes maken. Het is niet een kwestie van achterover leunen en doen wat de docent zegt.

De inzet van Open Pedagogy vraagt om een onderwijscontext en onderwijsleeromgeving die studenten uitnodigt te ontdekken, te maken en te delen: te participeren c.q. bij te dragen. Daarbij kan ook een zekere mate van verschuiving in beeld ontstaan over de rol en positie van de student in zo’n community: de student als jong professional. Iemand die nog aan het begin staat in het vak, maar mag participeren en bijdragen. Lees bijvoorbeeld het NRO-essay van Lisette Munneke.

Deze blog is geschreven naar aanleiding van de webinar in de Open Education week. Dit webinar heb ik samen met Marijn Post (HAN) en Michiel de Jong (TUD) gegeven op 3 maart 2021. We zijn verbonden aan de SIG Open Education. Open Pedagogy is ons 2021-jaarthema.

Verder lezen

Blog Marijn Post over onderwijs meer toegankelijk en inclusief maken.

NRO-essay Rutger Kappe: presteren kan niet zonder relateren.

Positive Feedback loop en Open Pedagogy.

Een voorbeeld genoemd in het webinar: responsiecollege op basis van powerpoint en video’s. Of blog literatuurzoeken waar studenten stellen vragen stellen die zijn beantwoord.


Geplaatst in Open Online Onderwijs, Open Pedagogy | Tags: , | Een reactie plaatsen

Ervaringen van studenten met onderwijs en toetsen op afstand tijdens corona’ . Onderzoeksrapport van ISO

’De professors proberen er echt wat van te maken en de groepschat van mede-eerstejaars wordt veel gebruikt, maar online is gewoon echt niks. Ik ben met twee studies begonnen dit studiejaar; maar ik heb bijna geen binding met mijn studiegenoten, kan de mensen van mijn studentenvereniging bijna nooit zien en ik vind de studies gewoon niet leuk zo. Grotendeels daarom ben ik met mijn eerste studie al na een maand gestopt en ga ik binnenkort ook met mijn tweede studie stoppen.’’

Tja, dat slaat er wel in als ik dit lees in een recent uitgekomen onderzoek door ISO geïnitieerd. En zo’n uitspraak is niet helemaal nieuw, lees: Volkskrant, NRC (nov 2020)

Vrijdag 19 februari organiseerde het ISO, nav hun onderzoeksrapport ‘Ervaringen van studenten met onderwijs en toetsen op afstand tijdens corona’ (door ResearchNed uitgevoerd) een webinar.

Bij 60.000 studenten is een vragenlijst uitgezet. Van 11.500 studenten zijn de meningen en ervaringen meegenomen in de uiteindelijk aanbevelingen. Thema’s die het rapport aansnijdt zijn: tevredenheid over online onderwijs, ervaringen online onderwijs, ervaringen online toetsen; mentale gesteldheid.

Bijna alle studenten hebben sinds september 2020  hun onderwijs, voor het merendeel, op afstand gevolgd. Vandaar leek het ISO het een goed idee de webinar rondom de onderzoeksresultaten op een manier te organiseren zoals studenten zelf onderwijs op dit moment ervaren: als ‘zenden’ door de docent, als geen interactie met onderling, als vragen stellen via het handje.

Enkele hoofdlijnen uit de bevindingen van het rapport:
(*) Het gaat niet goed: bijna al het onderwijs wordt online gegeven. Studenten ervaren dat het onderwijs aan kwaliteit verliest. Studenten kampen met sociaal-emotionele problemen door het gebrek aan interactie en contact met docenten en medestudenten. Er is veel eenzaamheid, concentratie- en motivatieproblemen.
(*) Emergency remote teaching wordt negatief ervaren: de constatering is dat veel fysieke onderwijs is verplaatst naar online onderwijs. Daarbij komt naar voren: hoe meer online onderwijs er wordt gegeven, des te meer problemen. Studenten willen graag af van live-hoorcolleges op afstand, online werkcolleges onder begeleiding van een docent en online presentaties/workshops door medestudenten. Proctoring wordt als onprettig en onveilig ervaren!
(*) Het goede behouden na Corona: één op de drie studenten wil de goede elementen van online onderwijs behouden. Deze goede elementen van online onderwijs zijn bijvoorbeeld: online vormen van een-op-een contact met docenten; vooraf opgenomen hoorcolleges (ook van voor Corona. Het meest werd gewaardeerd: de kennisclips: korte instructies vooraf ter instructie en voorbereiding op het college.
(*) Interactie en ontmoeting wordt meeste gemist: er is nog niet veel studievertraging te zien: de studievoortgang heeft nog geen grote schade opgelopen in vergelijking met de situatie vóór corona (n.b. dit beeld werd bevestigd door een aangedragen VU-onderzoek). Corona heeft vooral sociaal-emotionele impact. Studenten willen het liefst graag weer onderwijs op locatie: voor ontmoeting.

Het ISO beschrijft enkele aanbevelingen, zoals:

  • richting ‘Den Haag’: prioriteer de openstelling van het hoger onderwijs;
  • richting het Onderwijs: investeer in het faciliteren van de interactie; geef aandacht aan de mentale welzijn van studenten; besteed aandacht aan alternatieve toetsing en beperk proctoring;
  • richting studenten: laat je horen, richting o.a. docenten door actief feedback te geven; zoek de interactie op.

Daarnaast was ook de oproep (en aanbevelingen) in het rapport en in de webinar: onderwijs maak je samen. Dit lijkt me een oproep aan ons allemaal. Voor nu, maar ook voor na Corona. Wat leren we uit deze tijd, welke elementen willen we behouden. Hoe ontwikkelen goed onderwijs ontwikkelen, met een juiste mix aan onderwijsvormen (f2f en/of online; thuis en/of online) op basis van deze ervaringen.
Een gezamenlijk gesprek dus, die nu al kan worden opgepakt. Want het lijkt me dat we daarmee studentparticipatie, studentbetrokkenheid versterken.

Wellicht startend met de kijk van studenten op wat te behouden aan onderwijsvormen en toetsen, die geschikt zijn om kennis op te doen, na de Coronacrisis:

De eerste overzicht betreft de onderwijsvormen en daarna de toetsvormen:

Ik wil nog eindigen met een quote uit het rapport van een student die een positieve ervaring heeft t.a.v. onderwijs op afstand: ‘Ik ervaar het als een vreemde tijd, maar op studiegebied als zeer positief. Ik kan eindelijk lekker op mijn eigen tempo werken, hoef niet eindeloos naar colleges te luisteren als ik het al begrijp en kan meer zelf mijn planning indelen. Ik vind de werkgroepen erg leuk en er is veel interactie. Ik heb het gevoel dat ik veel leer! ‘’(blz 9)

Al met al een interessant webinar (en dan vonden de vele deelnemers aan de webinar met mij). Goed om de ervaringen van studenten te horen en lezen en de aanbevelingen ter harte te nemen. Wanneer de slides beschikbaar zijn, zal ik die hier nog plaatsen.

Lees ook:
(*) NRC en NOS over het rapport: studenten eenzaam en ongemotiveerd door online onderwijs.; studenten in grote problemen

(*) Emergency Remote teaching en Blended Learning: Lees ook interview op Scienceguide met Nynke Bos.)

Geplaatst in Online Onderwijs, Rapporten | Tags: , | Een reactie plaatsen

Programmatisch toetsen: waarderen van leren

‘Mogelijk maken’ heb ik als mantra boven mijn PC hangen. Maken we als organisatie mogelijk of werpen we alsnog allerlei barrières op en beperken we de verkregen ruimte.
Vorige week sloot ik bij een bijeenkomst aan over Programmatisch Toetsen. Opleidingen die gesprekken voeren over en onderwijs ontwikkelen rondom andere manieren van toetsen (en dus ook een andere invulling geven aan het faciliteren van leren). Het was interessant te horen dat deze opleidingen de ruimte hiervoor nemen en ook krijgen. Soms startend vanuit urgentie, maar ook doordat zij anders zijn gaan kijken naar het leerproces. Hoe dat moet is nog wel een zoektocht, blijkt uit alle verhalen. Want anders toetsen betekent ook loslaten van ‘hoe we het altijd deden’: en dat is spannend. Zoals Cees Vleuten in een filmpje (zie hieronder) aangeeft: programmatisch toetsen is een toetsconcept en geen recept.
In de bijeenkomst werden verschillende kanten belicht: de rol en het handelen van de examencommissie, de rol en het handelen van de docent en ook de student, het inrichten van (digitale) leeromgeving c.q. het portfolio.

Toetsen staan niet centraal maar het beoordelen van leeruitkomsten. Feedback krijgt een centrale rol. Het volgende filmpje (van een student) legt het heel kort uit.
Het betekent dat het ontwikkelen van een feedbackprogramma nodig voor een samenhangend feedbackproces. Onderscheidend in dat feedbackproces zijn: (a) de informele feedbackmomenten (van  bijv. peers) en de geformaliseerde feedbackmomenten (beslismomenten) waarbij studenten zaken laten zien over hoe ze presteren en waar ze staan op een bepaald moment (de datapunten). Er kan pas een beslissing worden genomen als er voldoende datapunten zijn verzameld om een rijk beeld van de student te vormen. Dit vraag om teamwork, dit vraagt om een samenhangend programma.
Elk feedback moment (formeel of informeel) zijn leermomenten en leveren informatie op over de voortgang. Het verzamelen van informatie over studenten gebeurt dan ook op basis van verschillende informatiebronnen (portfolio, feedback van peers of docenten, producten. zelfreflecties e.a.). En dat ook over een langere periode van onderwijs of een leerlijn. Op basis van 1 kleine module is geen rijk beeld samen te stellen van een student.

Screenshot uit presentatie van Cees van der Vleuten bij de HAN (zie bronnen)



Je ziet dat terug in de opgestelde 5 spelregels: bij programmatisch toetsen zijn (zie blz 124 van het boek Toetsrevolutie.

(*) Spelregel 1: geen zak-slaagbeslissing op basis van één datapunt (voor rijk beeld over de student);
(*) Spelregel 2: er is sprake van een mix aan toetsmethoden (voor betrouwbaarheid en validiteit);
(*) Spelregel 3: het aantal benodigde datapunten is proportioneel gerelateerd aan de zwaarte van de beslissing (meer (tussentijdse) beslismomenten bij een cruciale leeruitkomst);
(*) Spelregel 4: er is continu dialoog met de lerende door middel van feedback, om zelfsturing te bevorderen (programmatisch toetsen doet appél op zelfregie: de student kan ook aangeven wanneer hij/zij een geformaliseerd feedbackmoment wilt hebben);
(*) Spelregel 5: het eindoordeel is een menselijk oordeel op basis van voldoende beoordelaarsexpertise (dit betekent o.a. dat meerdere assessoren (=perspectieven) betrekken in de beslissing en ook calibreren).

Al met al is impliceert programmatisch toetsen het leerproces te verbeteren en de studenten te informeren over waar zij staan binnen het leertraject: gedurende het feedbackproces, krijgen voortdurend inzicht in de nog te ontwikkelen competenties. En dit vanuit een holistisch uitgangspunt: alle informatie telt mee voor een rijk beeld. Omdat het leren centraal staat biedt programmatisch toetsen de kans dat studenten zelf aan het roer staan. Niet alleen de docent bepaalt de beslismomenten maar de student kan ook meebeslissen over de volgende stappen in hun eigen leerproces.

Bij mij ontstaat het beeld dat met het toetsconcept programmatisch toetsen het waarderen van leren centraal komt te staan: in de betekenis van ruimte bieden in het leerproces (een langere tijdsspanne is nodig voor verdieping); in de betekenis van geïnformeerd handelen (het waarderen van de verzamelde informatie); en in de betekenis van ont-moeting (geen aftoetsen (eenzijdige beoordeling) maar waarderen door interactie (een rijk gesprek).

Veel meer is te lezen over programmatisch toetsen
(*) Spelregels programmatisch toetsen
(*) Presentatie Liesbeth Baartman
(*) Allerlei bronnen op de score-site (HvA)
(*) Tips bij programmatisch toetsen
(*)  Het Boek Programmatisch Toetsen: Baartman, L., Van Schilt-Mol, T. & Van der Vleuten, Cees. (2020) Programmatisch toetsen: voorbeelden en ervaringen uit de praktijk. Amsterdam: Boom. (helaas niet digitaal)(cover zie plaatje boven)
(*) Cees van der Vleuten op Platform Leren van Toetsen

Geplaatst in Online toetsen, seminar | Tags: , | Een reactie plaatsen

Opleiden in een veranderende arbeidsmarkt (deelthema NRO symposium)

Vrijdag 15 januari heb ik met nog vele andere belangstellende het NRO-Symposium gevolgd (zie link: voor alle essays) met de titel: Hoger Onderwijs : nieuwe richtingen na de pandemie.

Tijden dit symposium kwamen 6 thema’s aan bod. Ter voorbereiding waren essays geschreven. Onder andere heb ik het thema ‘Hoe opleiden voor een veranderende arbeidsmarkt’ gevolgd.

De kern van het gesprek rondom dit thema, n.a.v. de essays, waren wat mij betreft drie aspecten: (*) opnieuw framen van de relatie opleiding-werkveld/praktijk; (*) en hierbij ruimte creëren voor de ambities, ontwikkelen en leren voor alle actoren (student, docent en opdrachtgever) wat betekent o.a. (*) gezamenlijk ontwerpen en werken aan vraagstukken, alle actoren (docent-student-werkveld) zitten aan tafel.

Want, stelt Lia Fluit, de huidige arbeidsmarkt vraagt om het ontwikkelen (en dus opleiden) van adaptieve expertise: een combinatie van verschillende vaardigheden, te weten domeinspecifieke vaardigheden, metacognitieve vaardigheden en innovatieve vaardigheden (blz 1 essay). Deze vaardigheden zijn een leven lang nodig.

Ik zag dat terug in gesprek rondom essay authentieke vraagstukken van Tjark Huizinga (Hogeschool Saxion). Zijn boodschap was:

  • Zorg voor authentieke vraagtukken waarbinnen technologie ondersteund werken verweven zit;
  • Ontwerp authentieke leeromgevingen waar studenten, werknemers en/of onderwijzend personeel gezamenlijk aan een vraagstuk werken;
  • Zorg dat er ruimte blijft om nieuwe kennis, vaardigheden, en inzichten  te verwerken (vgl. sandboxing)

Ik zag dat in gesprek rondom essay over afstuderen van Lisette Munneke (Hogeschool Utrecht) waar het op een gegeven moment ging over de verschuiving in opleiden als de arbeidsmarkt verandert. Hier werd aangegeven:

  • Inhoudelijke verschuiving: wat zijn bijvoorbeeld skills die in de huidige tijd worden gevraagd (zie bijv het Digital Competence Framework 2.0)
  • De verschuiving in de wijze waarop een opdracht tot stand komt. In plaats van een opdracht op te stellen (inhoud/vorm) voor de student wordt de opdracht gezamenlijk ontwikkeld en onderzocht: student, docent, werkorganisatie. Alle actoren zitten aan tafel, het opstellen en oplossen van een vraagstuk is dan ook een gedeelde verantwoordelijkheid: iedereen leert mee en heeft toegevoegde waarde. Deze verschuiving impliceert dat studenten een andere benadering vragen: niet zozeer als student maar als beginnende collega.
  • De verschuiving naar een (meer) open curriculum. Open in de betekenis van dat het curriculum naast een robuust deel (terugkerende modules of onderwerpen) ook een variabel deel bevat dat continue verandert en aansluit bij actuele ontwikkelingen (maatschappelijk en vakinhoudelijk). En diverse actoren hebben invloed op of dragen bij aan dat variabele deel: ook de student.

Dit vraagt een andere mindset van docenten, studenten en werkveld. Het expliciteren en bewust worden van elkaars (bestaande) beelden, overtuigingen, rollen is belangrijk. Bijvoorbeeld werd door iemand aangegeven: benader de student als changemaker: hij/zij is het al in plaats van dat we hen ervoor opleiden. Voor studenten betekent die benadering dat ze opeens mee (gaan / kunnen) beslissen en keuzes (gaan / kunnen) maken. Dit is een enorme leerervaring maar kan ook stress oproepen. En docenten die daarbij in een oude rol kunnen schieten. Het gesprek hierover voeren, reflecteren op het handelen en de impact, is essentieel.

Zie ook (websites die genoemd werden):
(*) Website met tools voor studenten om beter om te gaan met stress: productief omgaan met stress van Stijl Bollinger.
(*) Verslag en clips en andere informatie komt te staan op: onderwijskennis.nl
(*) En zie ook verslag op Scienceguide: ‘Plezier en verbondenheid zijn ook in blended learning nodig’ en ‘Geforceerd veranderen door de pandemie kan een geluk bij een ongeluk zijn‘.
(*) En verslag van NRO zelf: Magazine Nieuwe Richtingen na de Pandemie.
(*) Essays: https://www.nro.nl/bijeenkomsten/nro-symposium-hoger-onderwijs-nieuwe-richtingen-na-de-pandemie

Geplaatst in arbeidsmarkt, conferentie | Tags: , | Een reactie plaatsen

HBO in 2030: een schets vanuit Hogeschool Rotterdam

Bron: Hoger Beroepsonderwijs in 2030, blz 713

’Want het maken van de toekomst is, zoals Margaret Heffernan in haar boek Uncharted stelt, een collectieve activiteit’’ (blz 12; Hoger Beroepsonderwijs in 2030). Een mooie gedachte zo aan het begin van 2021, in Corona tijd. Hoe geven we vorm aan ons toekomstig hoger beroepsonderwijs? En hoe maken we daar zelf een collectieve activiteit van, zoals dit initiatief vanuit de Hogeschool Rotterdam (HRO).

In de bundel ‘Hoger Beroepsonderwijs in 2030; toekomstverkenningen en scenario’s vanuit HRO) geschreven door o.a. lectoren van de Hogeschool Rotterdam, worden inhoudelijke thema’s uitgediept die actueel zijn en schetsen gegeven voor de toekomst. Op basis daarvan zijn vier scenario’s beschreven, hst 27.

Voorafgaand aan de vier scenario’s schetsen drie schrijvers zes toekomstthema’s (blz 707-710). Ik benoem die kort omdat het interessante startpunten zijn voor exploratie.

1. De transformatie van het werk.
De schrijvers geven aan dat automatisering, digitalisering en datagedrevenheid en de ontwikkeling en adoptie van kunstmatige in belangrijke mate drivers zijn die het werk van de toekomst gaan bepalen. Daarbij is de mate van ontwikkeling rondom kunstmatige intelligentie (AI) nog onzeker: zal het wel/niet disruptief zijn?

2. De transformatie van het leerproces.
Gezien de trends zal naast het werkproces ook het leerproces veranderen. Een rol spelen: (*) de ontwikkeling van digitale leertechnologie; (*) de toenemende complexiteit van de beroepspraktijk om leertrajecten waarin het doel, de aanpak en de samenwerkingsverbanden in gezamenlijkheid worden bepaald. De schrijvers geven aan: ‘’dit maakt het onzeker of het leerproces in de toekomst (a) in hoge mate is gedigitaliseerd of (b) juist meer in gezamenlijkheid, in de beroepscontext en samen met veel verschillende actoren plaatsvindt.’’(blz 708).

3. De transformatie van het onderwijsmodel.
Hoe is het onderwijs in 2030 georganiseerd? Landelijke thema’s zijn (lees ook ambities van OCW): (*) flexibilisering, het toenemende belang van op-, (*) om- of bijscholing in de beroepspraktijk en (*) de opkomst van nieuwe spelers zijn hierop van grote invloed.
De schrijvers stellen dat daardoor het HO in 2030 veel meer de vorm aanneemt van een platform. Bijvoorbeeld voor het faciliteren van persoonlijke leerpaden door alle kolommen heen. Maar het kan ook zo zijn dat de ontwikkelingen niet zo snel gaan en dan verdere flexibilisering zich tot het post-initiële onderwijs beperkt.

4. Financiering van het onderwijs.
In enkele essays komt naar voren dat de publieke financiering van het hoger onderwijs bepalend is voor de inrichting van het onderwijs. Dit zal niet zomaar veranderen. Enkele ontwikkelingen kunnen invloed hebben: (*) de verdere ontwikkelingen in hogeronderwijsbeleid op het niveau van doelstellingen en bekostiging; (*) veranderingen in het aantal studenten; (*) bredere economische ontwikkelingen; (*) de opkomst van alternatieve aanbieders van hoger onderwijs.
De schrijvers geven aan dat: ‘’De onzekerheden rondom de ontwikkelingen op dit gebied zouden tot de uitkomst kunnen leiden dat (a) het hoger onderwijs niet alleen publiek gefinancierd wordt, maar ook meer middelen krijgt of (b) dat de publieke financiering van het hoger onderwijs significant wordt gekort en de financiering in grotere mate aan de markt wordt overgelaten.’’ (blz 709).

5. Doel en functie van het onderwijs.
Discussies over doel en functie van het onderwijs zijn er altijd geweest. De invulling ervan wordt beïnvloed door ontwikkelingen zoals: (*) het landelijke hogeronderwijsbeleid; (*) de culturele waarden, politieke ideologie; (*) de verwachtingen van studenten en de samenleving. In de essays komt naar voren dat de beroepskwalificatie een dominante doel van het hoger beroepsonderwijs is: kennis en vaardigheden up-to-date houden en aansluiten op de veranderende arbeidsmarkt. Tegelijkertijd vragen enkele lector zich af of het doel en de functie van het onderwijs breder moeten worden gezien (ook nav Biesta). Dus dat we binnen HO ruimte moeten bieden door socialisatie en subjectificatie.

6.Maatschappelijke opgaven en transities.
In diverse essays komen verschillende transities aan de orde de transitie naar: (*) een duurzame economie; (*) een duurzaam energiesysteem; (*) een slimme infrastructuur en weerbare steden; (*) de digitale ecologie; (*) een inclusievere samenleving; (*) een houdbaar(der) zorgsysteem. De schrijvers pleiten voor een grotere focus op en bijdrage aan deze transities in en vanuit het hoger beroepsonderwijs. Waar de onzekerheid zit, geven de schrijvers aan zijn factoren als: (*) de complexiteit van elk van deze opgaven; (*) de wederzijdse afhankelijkheden; (*) de gevestigde belangen in het werkveld. Dit vraagt dat een keuze of we deze transities gezamenlijk en gecoördineerde op- en aanpakken (met bijbehorende investeringen) of deze transities aan de markt (individuele spelers, bedrijven, e.a.) overlaten.

Vanuit de essays, die de basis vormen voor de zes toekomstthema’s, volgen hieronder de vier scenario’s met beschreven startposities: sleutelonzekerheden, bepalende ontwikkelingen, en implicaties voor hogescholen.


SCENARIO 1: HOGER ONDERWIJS ALS KWALIFICATIEPLATFORM (blz 719)
De ontwikkeling van onderwijsmaterialen, begeleiding en het afnemen van toetsen worden vaak door verschillende partijen verzorgd, studenten kiezen persoonlijke leerroutes.

SCENARIO 2: HOGERONDERWIJSINSTELLINGEN ALS TRANSITIELEIDERS (blz 733)
Hogeronderwijsinstellingen vervullen veel meer een leidende rol in de verschillende transities (naar duurzame en circulaire economie, de ontwikkeling van slimme infrastructuren end e opbouw van inclusieve en houdbare sociale voorzieningen en gezondsheidszorg).



SCENARIO 3: ONDERWIJS À LA CARTE (blz 745)
Kleinschalig onderwijs met hoogwaardig aanbod, sterk gevoed door digitale toepassingen, persoonlijke begeleiding en sturing vanuit docenten.

SCENARIO 4: VERRIJKING VAN HET SCHOOLBEGRIP (blz 757)
Het onderwijs vindt voor een belangrijk deel op fysieke locaties plaats met mensen voor de klas en werkgroepjes die samen aan vraagstukken werken. Onderwijs vervult vooral een sociale en culturele functie.


Volgens mij gaat het uiteindelijke niet om de vraag of scenario’s waar zijn of welke waarheid kunnen worden. Het zijn wel vier (toekomst)beelden die een mooie input geven om binnen de eigen instelling door te spreken en als startpunt te nemen voor een collectieve activiteit. Welke scenario’s zijn er nog meer te maken obv deze essays? Om zo samen vorm te geven aan de toekomst van HBO vanuit de eigen instelling: studenten, docenten, ondersteuning, staf.

Lees ook:
Scienceguide-artikel: Bestaan er in 2030 nog wel hogescholen?

Geplaatst in Trends | Tags: | Een reactie plaatsen

SURF Onderwijsdagen 2020 in 3*3

Fijn dat de SURF-Onderwijsdag doorgingen op 7 en 8 december jl.. Altijd een moment om inspiratie op te doen. Alhoewel ik de interactie met HO-collega’s wel erg miste.
Mijn 3*3 opvallende rode draden met accenten die ik wil onthouden.

De eerste drie: genoemde trends door bestuurders en projectleiders.

1. Flexibilisering in het onderwijs.
Deze flexibilisering is natuurlijk al volop gaande en wordt steeds concreter. Zie de ontwikkelingen van edubadges, microcredentialing.
Overigens gaf iemand aan: het gaat om het persoonlijker, en niet individueler, maken van onderwijs: als student regie hebben over je eigen leerproces c.q. leerroute. En gedurende die route leer je met en van elkaar. Zie de 4 studentroutes vanuit de Zone Flexibilisering, en de impact daarvan (te downloaden).

2. Inzetten van diverse leermaterialen.
Hierbij gaat het om het gebruik van digitale (open) leermaterialen: docent- of studentmaterialen ( open te delen en hergebruiken) en materialen van uitgevers. Doordat we nu veel meer online onderwijs organiseren neemt de inzet van diverse digitale leermaterialen toe.
In de opening benadrukte de minister van OC&W het delen en hergebruiken van leermaterialen te blijven doen en zelfs te versterken. Lees het visiedocument van de VP-zone Digitaal (open) leermaterialen. En, kijk hier: hoe te starten met open leermaterialen. En… begin 2021 is er een landelijk platform voor alle digitale leermaterialen: edusources (met infographic)

3. Inzetten studiedata
Het benutten van studiedata biedt veel kansen voor verbeteren van de kwaliteit van onderwijs. De ontwikkelingen rondom studiedata gaan snel: zowel de techniek zelf als de bewustwording van de impact. Het accent in de gesprekken lag op over de inzet van data voor het begeleiden van het leerproces van studenten: de docent die de data gebruikt als extra informatiebron om studenten te begeleiden; de student die de data gebruikt om inzicht te krijgen in eigen studievoortgang. Dit vraagt zowel van docent als student bepaalde datageletterdheid (zie verder).

Tijdens de OWD heb ik me gefocussed op deze laatste trend. Hier de drie belangrijke aspecten rondom studiedata die ik heb meegenomen.


De tweede drie: mee te nemen aspecten rondom studiedata.

1. Belangrijke voorwaarden bij studiedata: vertrouwen en datageletterdheid
Het verantwoord benutten is erg belangrijk bij de inzet van studiedata. Ten slotte gaat het om gegevens van studenten. Studenten moeten het idee krijgen dat hun data veilig is en niet wordt misbruikt. Maar ook docenten: zij moeten ook weten wat data is, wat je ermee kunt doen en hoe te benutten in onderwijs. Het gaat dus om de vragen: waarvoor verzamel je data, verzamelen we data veilig, transparantie rondom benutting data. Daarom zijn er codes in ontwikkeling.
Als vervolg daarop werd veelvuldig aangegeven studenten mee te nemen in het gesprek over de inzet van studiedata in het onderwijs. Kennis hebben van en beeldvorming over de benutting van studiedata is belangrijk: datageletterdheid dus. Waar hebben we het over?  Wat wordt geanalyseerd en hoe?  Er valt nog veel te leren: als instelling, als opleiding, als docent en als student: hoe moeten we ons er toe verhouden en hoe te handelen.

2. Ethische vraagstukken bij studiedata
In de sessies werden de ethische vraagstukken rondom inzet van studiedata benadrukt. Van wie is  de data als we ‘eigen systemen’ gebruiken; weet de student welke data we (als instelling) van hem/haar verzamelen en analyseren? Maar ook als we applicaties van EdTech gebruiken. Padlet, Miro worden bijv. veelvuldig ingezet: van wie is dan de data. Met een gesprek over ethiek bij inzet van technologie heb je het meteen ook over welke keuzes belangrijk zijn met daar de achterliggende gehanteerde bij (publieke) waarden. Waarden als gebruikersgemak, efficiëntie of ook transparantie, veiligheid en privacy. Soms kunnen deze waarden op gespannen voet met elkaar staan. En, werd aangegeven in de sessies, neem ethiek meteen vanaf het begin mee in de toepassing van studiedata in onderwijs (he ontwerpen) of aanschaf van een applicatie of DLWO.
Tip: beluister het interview met Miriam Rasch over data en ethiek in het onderwijs.
Tip: in de vlootshow een filmpje over de ethiekkompas.

3. Studiedata en AI: ga het gesprek aan binnen je instelling
In de sessies kwam een aantal keren naar voren dat studiedata&dataficering en daarbij ook Artificial Intelligence (AI) onderwerpen zijn die als ‘lastig’ worden ervaren. Advies is: adresseer deze onderwerpen, ga in gesprek, werk samen en multidisciplinair rondom dit onderwerp, betrek studenten bij het gesprek. Dit niet alleen voor de beeldvorming (wat en hoe data inzetten), er is winst te behalen door de inzet van studiedata. Daarbij drie perspectieven: (a) terug te kijken (bestaande data); (b) nu (gegevens van hier en nu); (c) vooruitkijken en dus voorspellingen doen (machine learning; inzet algoritmes). Vooral a en b, daar kunnen we nog veel meer mee doen. VP-zone studiedata heeft een quickscan gemaakt voor instellingen om te kunnen inschatten in hoeverre je je studiedata benut: quickscan. Een mooi startpunt voor een gesprek.

Bij het slot van de onderwijsdagen hoorde nog ‘een afrondend drietal’. Deels ter bevestiging van de trends. Ron Augustus (SURF) geeft aan waar we ons op moeten voorbereiden. Die beschrijf ik ook maar in deze blog.


De derde drie: de drie van Ron Augustus (SURF)

1. De manier van kennisoverdrachtverschuift
Kennisoverdracht zal, naast de vormen die we kennen, ook via de inzet van extended reality gaan of avatars. En nee, een avatar zal de docent niet vervangen, eerder faciliteren.

2. De manier van toetsen verschuift

Toetsen zal slimmer gaan door de inzet technologie. Het gaat dan niet alleen de verschuiving van summatief naar formatief handelen. Ook gaat het over sneller&slimmer kunnen nakijken van tentamens, delen van vragen, voortgang studenten inzichtelijk maken.

3. De benutting van de leeromgeving verschuift
De leeromgeving is niet alleen de plaats waar je als docent en student materialen neerzet. In de leeromgeving zit zelf al veel informatie die gaan we veel meer (kunnen en gaan) benutten. Het gaat dan over data en leermaterialen om te delen en hergebruiken.


Extra bronnen om nog na te lezen en te bekijken
(*) Vlootshow met alle filmpjes getoond tijdens (sommige) sessies van de OWD20
(*) Publieke waarden was een kleine rode draad tijdens de OWD20. Christien Bok verwees naar het waardenkader.
(*) Teams in the Classroom: een voorbeeld van data en AI in onderwijs.
(*) Genoemd artikel over digital ethics van John O’ Brien.
(*) Impressie studiedata OWD20
(*) Terugblik op de website van SURF zelf: OWD20

Geplaatst in conferentie | Tags: | Een reactie plaatsen